![]() |
Naar het mausoleum van de Oranjes had de inmiddels 67-jarige koning nu zijn volledige gezin begeleid: het prinsje Maurits in 1850, zijn oudste zoon Willem in 1879 en koningin Sophie, zijn gemalin, in 1877.
Voor Alexander, het lievelingetje van zijn vrouw, koesterde Willem III al jaren geen vaderlijke gevoelens meer. Zijn hoop en liefde waren gevestigd op zijn jongste spruit, prinses Wilhelmina, vier jaar eerder voortgekomen uit het in 1879 gesloten huwelijk met Emma, prinses van Waldeck-Pyrmont. Bij hen zullen waarschijnlijk zijn gedachten geweest zijn, toen de koning, onbewogen en schijnbaar geduldig, de gekiste Alexander in de grafkelder zag afdalen.
De woorden die de hofpredikant in zijn lijkrede tot de betreurde Oranjetelg richtte, maakten ook geen enkele emotie bij hem los:
Arme prins, arme prins, die nooit uit de rouw over uwe dooden u hebt kunnen opheffen tot de blijmoedigheid der levenden! Wat al geheimen en raadsels zinken naar de diepte!'
Willem wilde het niet eens weten. Alexander was voor hem iemand uit een vorig leven, en dat was een en al treurnis geweest.
Alexander (voluit: Willem Alexander Karel Hendrik Frederik) was bij zijn geboorte, op 25 augustus 1851, meer welkom bij zijn moeder dan bij zijn vader. Het nieu prinsje had het huwelijk tussen Willem III en Sophia van Wurttemberg weer elan moeten geven-beter gezegd: moeten redden-omdat hun verbintenis op een echtscheiding dreigde uit te lopen na de dood van de 6-jarige Maurits. Om een constitutionele crisis te bezweren bleef Sophie koningin, maar ging voortaan wel haar eigen weg in het leven.
De oudste zoon Willem wilde in de ogen van de koning ook al niet deugen. 'Wiwill' had binnen het gezin partij gekozen voor zijn moeder en deed alles om zijn vader dwars te zitten, tot het weigeren van het koningschap toe. Het enige waarin vader en zoon elkaar konden vinden, was hun gemeenschappelijke voorliefde voor bordelen. Maar gedeelde genoegens zijn niet bepaald de eerste voorwaarden voor een waardige troonopvolging.
Van Alexander had Willem III zo mogelijk nog minder verwachtingen. Het prinsje leed van jongsaf aan onder een zwakke gezondheid. Toen hij wat ouder werd ontwikkelde hij zich tot een nerveus en overgevoelig kind, dat bescherming zocht bij zijn moeder die hem vertroetelde en verwende. Alexander was een moederskindje. Zijn vader bemoeide zich nauwelijks met de opvoeding van zijn zoon, ook omdat Sophia zijn invloed niet toeliet. Die moederbinding.
De moederbinding zou Alexander een tragich leven lang parten gaan spelen. Alexander werd door zijn moeder tot zijn negentiende binnen de muren van het paleis gehouden. Hij kreeg huisonderwijs, aanvankelijk van de koningin zelf, later van een gouverneur. Alexander mocht dan tobberig van aard zijn, hij paarde niettemin een behoorlijke intelligentie aan een door zijn moeder gevoelde belangstelling voor kunst, cultuur en reizen.
In 1869 maakte de prins een reis van drie maanden door het Middellandse-Zeegebied, waarbij onder meer Tunis werd aangedaan. Terug in Nederland schreef hij zich in aan de Universiteit van Leiden en ging wonen in een paleisje aan de Haagse Kneuterdijk.
Aangezien de onwillige Wiwill intussen door het kabinet van de koning als troonopvolger was opgegeven, begon men in die kringen zijn hoop te vestigen op Alexander. August Weitzel, de Minister van Oorlog, achtte de prins in tegenstelling tot zijn vader alleszins in het bezit van begrippen die men bij een constitutioneel koning kan verlangen aan te treffen'. Alexander leek inderdaad op het koningschap af te stevenen, maar op 3 juni 1877 overleed plotseling zijn moeder. Het was of zijn wereld instortte De zwaarmoedigeaangelegde jongen verviel in een diepe depressie.
Toen nog geen twee jaar na dit drama ook nog Wiwill doodging, was het leed verdubbeld. Hij trok zich terug in zijn paleisje en wenste nauwelijks nog bezoek te ontvangen. Alexander kwijnde langzaam weg aan de Kneuterdijk, tussen zijn parkietjes, papegaai en vlinderverzameling. De kranten begonnen over hem te schrijven.
Men verweet hem zijn kroonprinselijke verplichtingen niet na te komen, door niet meer in het openbaar te verschijnen en weg te blijven bij de opening van de Staten-Generaal. Alexander verweerde zich tegen de aanvallen in de pers met een ingezonden brief in een Haags dagblad, die een landelijk polemiek ontketende. Nadat hij een tweetal brochures te zijner verdediging de discussie had binnengebracht, leek de zaak gesust. Maar het verwijt dat hij het Nederlandse volk zou verwaarlozen, bleef Alexander tot zijn dood achtervolgen.
De controverse rond ben, laaide een paar jaar later weer op, toen bekend werd werd dat Alexander was benoemd tot het hoofd van de Vrijmetselaars in Nederland, een verkiezing die omstreden was en zelfs leidde tot een schisma binnen de gelederen der maconnerie.
De laatste twee jaar van zijn leven bleef Alexander volhouden in zijn afzondering. Volgens minister Weitzel, die hem enkele keren opzocht, zag de kroonprins er op het eind uit 'als een zieken struikrover'. Bij Alexander hadden zich toen al de eerste verschijnselen van tyfus geopenbaard. De ziekte zou hem fataal worden.
Net als de koning liet het Nederlandse volk geen traan om de gestorven prins.
Het kwam wel in groten getale bij de begrafenis opdagen, omdat het er een vrije dag voor had gekregen.
Willem III raffelde zichtbaar het protocol af en maakte rechtsomkeer zonder de lijkkist in de grafkelder was verzonken.
Hij wilde blijkbaar meteen schoon schip maken, want korte tijd later liet hij de meeste bezittingen van Alexander, zoals paarden, koetsen en een grote voorraad exclusieve wijnen al in het openbaar veilen.
Het pand aan de Kneuterdijk ging ook in de verkoop.
Kennelijk moest deze ongelukkige Oranjezoon maar snel mogelijk van de vergetelheid verdwijnen.

