En nu het uur der openhartigheid had geslagen, had Marianne ook iets losgelaten over haar eigen zorgen. Twee maanden eerder had ze haar lieve, kleine Elisabeth zes weken na de geboorte al weer moeten afstaan. Eerder was er ook al een kind overleden. Ook voelde prinses Marianne nog constant de pijn van het verlies van haar moeder, koningin Mimi, bij wie ze altijd zo goed terecht gekund had. Maar zo is het leven, het was leed dat je niet uit de weg kon gaan. Anders was het met het grote verdriet waar ze nu onder leed... Haar gemaal, prins Albert van Pruisen leefde als een bon-vivant, en helemaal niet het leven van een trouwe en toegewijde echtgenoot. Zijn uitspanningen hadden voor haar nu wel zowat de grens bereikt. En het was toch allemaal zo mooi begonnen... Haar vader had haar de raad gegeven om af en toe maar een oogje dicht te doen, als Albert de bloemetjes buiten zette, maar dat was een raad waar alles in Marianne tegen in opstand kwam. Onmogelijk! Zo maakte je van je huwelijk, ja van je léven, toch een potsierlijke vertoning? 9 Mei 1810. In het paleis Onder de Linden in Berlijn, waar de voor de Fransen uitgeweken Willem VI (de latere koning Willem I) en zijn vrouw Mimi van Pruisen met hun gezin zijn neergestreken, wordt een meisje geboren: prinses Marianne. De ouders zijn er dolgelukkig mee. Nu hebben ze weer een dochtertje... Het maakt het smartelijke verlies van de zesjarige Pauline die op Mimi's vlucht voor het Franse leger onderweg was gestorven, weer een beetje goed. Op 30 november 1813 landt de prins van Oranje in Scheveningen en wordt hij enthousiast door de bevolking ingehaald. Een maand later zetten Marianne en haar moeder voet op Nederlandse bodem. Mariannes twee grote broers wachten hen in Arnhem op. De oudste, ook een Willem, kijkt geamuseerd naar zijn achttien jaar jongere zusje, dat hij nog nooit heeft gezien. Wat een leuk, vrolijk kind is het! Ze is vaders grote lieveling en wordt dan ook flink verwend. Ze krijgt alles van hem gedaan en ze vraagt heus niet alleen maar dingen voor zichzelf. Wil vader een gezin helpen, waarvan de ouders aan de drank zijn? En vader zorgt onmiddellijk dat het gezin geholpen wordt. Ze windt niet alleen haar vader om haar vingers maar iedereen, ook de vele vriendjes die al vroeg om de vlinderachtige, flirtende prinses heendwarrelen. Ze heeft een oogje op vaders hofpage, markies de Thouars, en heel wat adellijke jongelieden willen wel, maar geen van hen komt serieus in aanmerking voor de prinses. Om haar wat te doen te geven laat Willem I op het Loo een modelboerderij voor haar bouwen, en Marianne gaat ook enthousiast in het boerenbedrijf op. Als ze er niet is, schrijft ze vaak aan de boerin, Vrouw van Loenen, waar ze tot op hoge leeftijd mee zal blijven corresponderen. Maar dan wordt het ernst. Er is een man voor Marianne gevonden, een mooie, voorname én rijke man: Prins Gustaaf Wasa van Zweden, de zoon van de afgezette koning Gustaaf IV. Hij is 28 jaar, tien jaar ouder dan Marianne. En zijn vermogen is ook beslist acceptabel, het wordt geschat op 20 miljoen gulden. De Zweedse prins wordt tot generaal-majoor van het Nederlandse leger benoemd, het paleis van grootmoeder Willemijn wordt voor het toekomstige paar in orde gemaakt, er wordt ook nog een huis in Brussel gehuurd omdat ook daar een hoge benoeming op de prins ligt te wachten, kortom, niets staat hun geluk in de weg.
De tegenwerking wordt zo groot dat het huwelijk wordt afgelast. Was deze ruzie van Nederlandse zijde op diplomatiek niveau niet op te lossen? Waarschijnlijk was het jongmens nu ineens niet goed genoeg meer voor een koningsdochter. Wie wél goed genoeg was, was Mariannes neef, prins Albert van Pruisen. Voor de vrolijke prinses geen goede greep, want hij zal blijken een ontrouwe echtgenoot te zijn die er geen been in ziet om diep in de "huishoudkas" te graaien om zijn vriendinnen vorstelijk te kunnen verwennen. Marianne is er de vrouw niet naar om mooi weer te spelen. Trouwens als we even niet naar de officiële portretten kijken maar naar een schilderij waarop haar gemaal, meer jas dan persoon, zittend in een stoel is afgebeeld, dan moet het wel een vreemd heerschap zijn geweest. Na negentien jaar is het voor prinses Marianne welletjes. Ze wil scheiden. Maar daar wil prins Albert, en vooral ook diens vader, koning Willem Frederik IV van Pruisen, niets van horen. Ook Mariannes broers, erfprins Willem en prins Frederik proberen haar daar met kracht vanaf te houden. Ze moet maar tot een compromis zien te komen. Een compromis? Dat is nu echt niets voor Marianne! Haar broers, en ook haar vader vinden dat ze moet denken aan de eer van het Nederlandse en het Pruisische vorstenhuis. Trouwens, ze kan toch haar kinderen niet in de steek laten? Ze krijgt ze heus niet mee. En hoe moet het dan met de opvoeding van Charlotte, (1831-1855) Albert, (1837-1906) en de kleine alexandrine (1844-1906)? Dit is iets wat inderdaad heel zwaar weegt. Maar als prins Albert een verhouding met zijn "buurvrouw", de dochter van de Pruisische minister van oorlog von Rauch aanknoopt, houdt ze het toch werkelijk voor gezien, en als Marianne zich iets in haar hoofd gezet heeft, laat ze zich er niet meer vanaf brengen. Ze gáát gewoon! In het voorjaar van 1845 drukt ze haar kinderen haar hart en ze vertrekt naar Italië, waar ze op vorige reizen al van is gaan houden. De schone kunsten boeien haar, in Rome zal ze zich niet hoeven te vervelen... Drie jaar later komt ze terug naar Nederland. Ze strijkt neer in Voorburg, waar ze de buitenplaats Rusthof heeft gekocht. Vooralsnog ziet het er naar uit dat ze daar ook rust zal vinden. In Pruisen kan men het nog steeds niet verkroppen dat Marianne het hof de belediging heeft durven aandoen om een verzoek tot echtscheiding in te dienen, en de eerste pesterijen beginnen. Charlotte is nu op de leeftijd dat ze haar eerste, openbare belijdenis gaat doen, iets wat in Duitsland altijd een enorm feest is, waar de hele familie voor wordt uitgenodigd. Maar prinses Marianne mag er niet bij zijn. Voorburg was er wat trots op, dat de prinses en haar grote gevolg in dit dorp aan de Vliet was neergestreken. Naast "Rusthof", dat altijd "het paleis" werd genoemd, kocht Marianne ook nog twee aangegrenzde buitens, "Noordervliet" en "Leeuwensteyn". Dit alles had tezamen een oppervlak van twintig hectare. Verder stond er op de Achterweg nog een grote boerderij, en schuin tegenover Rusthof een jachthuis. Bij de ingang van het park lag de oranjerie, waar 's winters de laurierboompjes en de palmen in gingen. Het park bestond voor een gedeelte uit prachtig bos en er waren schitterend aangelegde vijvers waar veel vis in werd uitgezet. Het buiten was te bereiken via een oprijlaan, met aan het eind een brug, en als je die brug over was, stond je op een voorplein, recht tegenover "het Paleis".
De leiding over het gehele personeel had de huismeester, die daarnaast ook nog de zorg had over een heel stel St. Bernardhonden. De prinses was dol op dieren en haar honden en haar paarden kregen dan ook een eerste-klas verzorging. Hier, in voorburg kan Marianne zichzelf zijn. Ondanks de teleurstellingen in haar huwelijk, de vernederingen van de kant van haar schoonfamilie en haar verdriet omdat ze haar kinderen niet ziet, blijft prinses Marianne een hartelijk en warmvoelende vrouw, die erg gesteld is op de mensen om haar heen en daarbij spelen rang en stand heus geen rol. Onder die mensen neemt er één een heel bijzondere plaats in: haar koetsier Johannes van Rossum. We hebben van hem alleen een paar droge gegevens. Wat voor een man hij eigenlijk was, weten we niet. Hij wordt beschreven als iemand met een behoorlijke onwikkeling. Hij is theologisch goed onderlegd. Theologie is een onderwerp dat ook Marianne nauw aan het hart ligt. We zien aan de vele portretten die de prinses van hem heeft laten maken dat het een grote, tamelijk knappe man was met donkere ogen en een donkere baard en met een "betrouwbaar gezicht". Misschien was dát wel de grote aantrekkelijkheid voor Marianne. Aan de stukken die hij later als Mariannes secretaris laat uitgaan, zien we dat hij een mooi, regelmatig handschrift had. We weten dat hij in 1809 in Den Haag is geboren (hij is dus één jaar ouder dan de prinses) als zoon van een kruidenzoeker, een vak dat zijn grootvader ook al beoefende. Zijn moeder had een winkeltje. Als Johannes bij de prinses in dienst komt is hij getrouwd met een vrouw die tapster is en waarmee hij, volgens de geschriften "in onmin leeft". Marianne is geen vrouw om alleen door het leven te gaan. Johannes is iemand waarmee ze goed kan praten, iemand die haar begrijpt. Een vriendschap tussen twee nog betrekkelijk jonge mensen (ze zijn midden-dertig als ze elkaar leren kennen), die allebei de eerste keer in hun huwelijk teleurgesteld zijn, groeit natuurlijk gemakkelijk uit tot liefde. Hun verhouding blijft niet zonder gevolgen. Zeven maanden nadat de prinses op Rusthof is komen wonen, is ze in verwachting en dat is natuurlijk niet helemaal zonder problemen. De prinses kent van Rossum dan al langer. Hij is al drie jaar haar geregelde begeleider en hij zal het nog achtentwintig jaar blijven. Inmiddels heeft ze hem tot stalmeester benoemd en later zal hij haar secretaris worden. Maar haar man worden kan hij niet. Op het moment dat de prinses weet dat zij een kind verwacht, zijn ze allebei officieel nog getrouwd. Koning Willem II, Mariannes broer, kan niet anders dan van zijn kant toestemming voor een officiële scheiding geven. Hoe hij verder op het nieuws heeft gereageerd vermeldt de geschiedenis niet... De vrouw van Johannes van Rossum blinkt niet uit door soepelheid: ze heeft nooit willen scheiden. Het verhaal dat nog wel eens de ronde doet dat de prinses en van Rossum in het geheim getrouwd zijn, is dus niet waar. Prins Albert trouwt wél opnieuw overigens. Met de ministersdochter. Wat nu? Langs de Europese hoven gaat het verhaal natuurlijk als een lopend vuurtje. Men staat perplex. Schande! Niet dat zoiets nog nooit eerder zou zijn voorgekomen, maar met beweert dat Marianne het kind niet, zoals dat in zo'n geval toch beaamt, ergens in een burgergezin zal onderbrengen, nee, ze schijnt van plan te zijn om het te houden, erger nog, zelf op te voeden! Een buitengewoon ongebruikelijke besluit! Het is een besluit dat Marianne zonder aarzeling neemt. Daarmee is de breuk met het Pruisische hof, maar ook met het hof van Oranje een feit. Haar vader, de man die zij, toen hij het nodig had, door dik en dun verdedigd heeft, is er nu niet meer om het voor zijn dochter op te nemen.
Op 2 juli 1849, de prinses is dan vijf maanden in verwachting, vertrekt Marianne met haar gevolg per trein van Voorburg naar Amsterdam, waar een paar postkoetsen klaar staan om het gezelschap naar de raderboot te brengen die hen zal afleveren bij het stoomschip "Willem I". Het schip, dat ook enkele zeilen heeft, is 50 meter lang. De prinses heeft het voor vijf maanden gehuurd. De reis verloopt traag maar dat is ook de bedoeling. Overal wordt onderweg aangelegd om uitstapjes te maken. Tegen half september is de "Willem I" nog maar op de hoogte van het eiland Sicilië. Bij de stad Messina gaat de prinses met een klein gezelschap, de dominee en Van Rossum zijn van de partij, van boord. Het schip zal naar de haven van Catania varen en daar op de prinses wachten. Ze zal daar over land naartoe komen. Nu was het in die tijd erg gevaarlijk op het eiland omdat er kort tevoren belastingplicht was opgelegd. De bevolking kwam daar zo tegen in opstand, dat moord en doodslag aan de orde van de dag waren. 's Nachts was het absoluut levensgevaarlijk om te reizen. Na een paar dagen wordt hofmeester Hartman dan ook danig ongerust en hij is blij als eindelijk de dominee komt opdagen. Hij komt de post halen en zegt erbij dat de prinses van plan is een tijdje aan land te blijven. Ze bevindt zich in het dorpje Cefalú maar dat wordt er niet bij verteld. De "Willem I" blijft stevig verankerd, storm en onweer trotserend, aan de kade liggen. Ook in de haven is het gevaarlijk. De kapiteit is altijd maar blij als zijn bemanning 's avonds veilig aan boord is... De prinses blijft weken weg. Ver van Rusthof, in de woeste binnenlanden van Sicilië wacht ze op de gebeurtenis waarvoor ze Nederland heeft verlaten. Op 30 oktober (1849) is het zover: prinses Marianne schenkt het leven aan een zoon. Ze noemt het jongetje naar zijn natuurlijke vader en naar haar eigen vader: Johannes Willem. Alleen het handjevol mensen dat met haar mee naar Cefalú gegaan is weet hier iets van, de bemanning op het schip is van dit alles onkundig. Voor hen betekent 30 oktober alleen dat de "Willem I" opdracht krijgt om naar Augusta te varen, een haven vier uur varen verderop, omdat het in Catania in de storm tegen de kadewand te pletter dreigt te slaan. Daar zal het schip de komst van de prinses afwachtten. Ze laat niet lang op zich wachten... Op 15 november gaat Marianne aan boord en wordt de reis voortgezet. Het baby'tje blijft met enkele leden uit het gevolg in Cefalú achter. Wat zouden we nu graag een paar brieven uit die periode hebben... Maar hierover wordt nu juist aan niemand geschreven, de enige met wie ze haar emoties kan delen, Johannes, is immers bij haar? Het enige tastbare is een berichtje uit een krant dat nog teruggevonden is en waaruit blijkt dat de kleine Johannes op 7 oktober 1851, dus bijna twee jaar later, nog steeds in Sicilië is. Wij hebben alleen het reisverslag van hofmeester Hartman. Daardoor weten we dat de "Willem I" het gezelschap naar Malta vaart en daar afscheid neemt. Het zeil-stoomschip heeft zijn taak volbracht en vaart terug naar Amsterdam. Het reisgezelschap zal met andere boten de reis naar het Heilige Land voortzetten. De prinses is, net als vóór de geboorte van Johannes Willem, onvermoeibaar. Alles heeft haar belangstelling. Als Marianne de stad Alexandrië bezichtigt, is er ook een slavenmarkt. Het is, zeker voor westerlingen, een verschrikkelijke vertoning.
Hij wordt in een prachtig Turks pak gestoken en krijgt goed te eten, zodat hij wel gevonden zal hebben dat hij het niet gek getroffen heeft. De jongen wordt "de kleurling" genoemd. Na een lange reis, waarop allerlei bijbelse plaatsen worden aangedaan, komt Marianne in Sicilië terug. Als we haar liefde voor het kind zoals ze die later in brieven uit, navoelen, het is zo moeilijk voor te stellen dat ze deze reis, hoe interessant ook, heeft verkozen bóven het bij de baby blijven... Als Marianne op Sicilië terug is, kan het kleintje al lopen. In die tijd verschijnt er een klein berichtje in de krant: "Wij vernemen dat H.K.H. Prinses Marianne der Nederlanden voortdurend haar verblijf op Sicilië houdt. Van tijd tot tijd komt er eenige verandering en vermindering in het personeel, dat nog steeds te Voorburg en te 's Gravenhage achtergebleven is. De kok van Hoogstdezelve is in dienst overgegaan van hare dochter in Duitschland. Een ander persoon werd onlangs naar Sicilië opontboden, doch deze heeft bedankt en is in eene andere betrekking overgegaan. Rusthof is en blijft steeds te huur maar de aanzienlijke huurprijs schijnt weinig liefhebbers uit te lokken. De kleurling is op eene kostschool te Leyden". Rome, waarheen Marianne al een paar keer tijdens haar huwelijk met Albert van Pruisen was "gevlucht", trekt haar ook nu weer. Op 7 juni 1851 geeft de prinses Johannes van Rossum een machtiging om de Villa Mattei op de Monte Celio, op Vaticaans grondgebied, te kopen voor 140.000 gulden. Het huis moet flink opgeknapt worden, daarna wordt het nog eens voor 60.000 gulden ingericht. Als alles klaar is, noemt Marianne het huis "Celimontana". De villa ligt in een schitterend park. Overal staan antieke godenbeelden opgesteld... Die zijn daar ter plaatse opgegraven! De prinses laat vol enthousiasme ook opgravingen verrichten, je kunt niet weten, tenslotte ligt een gedeelte van het park aan de beroemde Via Appia... En ja hoor, er worden werkelijk enkele oude graven gevonden. Maar niet alleen de oudheid boeit haar, ze maakt van haar huis een echt artistiek centrum, waar ze veel Nederlandse kunstenaars uitnodigt en ook opdrachten geeft. Hier wordt de basis gelegd voor een uitgebreide kunstverzameling. Haar hofhouding is hier niet zo groot. Naast haar secretaris Van Rossum is er de Nederlandse hofmeester Hartman, die ook meegegaan was op de reis naar het Nabije Oosten, een Venetiaanse hofmeester, haar lijfarts, een kamenier, een Italiaanse kok, een tuinman, een koetsier en nog een paar bedienden. Nu laat ze ook "de bloem van haar leven" overkomen, de driejarige Johannes Willem. Er volgt nu een fijne tijd, veel feesten, kunstreizen, bezoeken aan de opera.
Er is ook een rel: de Venetiaanse hofmeester wordt beschuldigd van oplichting en door de Romeinse politie gearresteerd.
Nu is Marianne iemand die nooit iemand wantrouwt maar juist altijd in de goede bedoelingen van de ander gelooft.
Ze weet gewoon zeker dat hier sprake is van een akelige vergissing en ze beweegt hemel en aarde om haar hofmeester vrij te krijgen, wat ook lukt.
Als dan even later blijkt dat hij werkelijk een aartsoplichter is, die bovendien haar overige personeel op een gruwelijke wijze terroriseert, is ze diep geschokt.
![]() In 1848, een jaar voor haar scheiding, kocht prinses Marianne het buiten "Rusthof"aan de Vliet te Voorburg. Maar, edelmoedig als altijd, denkt Marianne aan zijn gezin, dat nu brodeloos zal achterblijven, daarom blijft ze hem zijn salaris uitkeren en betaalt ze later ook nog eens zijn reis naar Venetië. Marianne houdt het niet lang op één en dezelfde plaats uit, hoe het er ook is. Celimontana wordt te koop aangeboden. Het lijkt een beetje of prinses Marianne haar oudste drie kinderen heeft vergeten, maar zo is het toch niet. Na de openbare belijdenis heeft Marianne ook het huwelijk van haar oudste dochter Charlotte moeten missen. Als haar ex-man in 1853 met de ministersdochter huwt, is dat een feest dat Marianne graag zal overslaan, maar het jaar daarop doet haar zoon Albert zijn openbare belijdenis en Marianne, die dan net in Silezië is, neemt aan dat de oude veten nu vergeten zijn en maakt zich klaar om naar Berlijn te gaan. Onderweg merkt ze dat de toegangswegen naar de Pruisische hoofdstad afgezet zijn. Verstopt in korenvelden en achter struiken liggen gewapende soldaten op de loer. "Wat is er toch", vraagt Marianne aan een van de officieren, en ze legt uit wie ze is en waar ze naar op weg is. "De koning der Pruisen heeft ons opdracht gegeven om u tegen te houden, zelfs met geweld, als dat nodig is", is het antwoord. Het verbanningsdecreet van 1849 is nog steeds van kracht en Marianne zal haar kinderen niet zien. Gelukkig waren de kinderen vrij om te gaan waar ze wilden en omdat Albert wel eens naar Rusthof komt, laat de prinses, om hem wat vaker te kunnen strikken, een villa voor hem bouwen aan de rand van het bos. Ze zal wel even hebben moeten slikken toen ze zijn reactie hoorde: "Moeder, u denkt toch niet dat ik in dit kippenhok ga wonen". Celimontana is verkocht aan een Franse prinses voor 200.000 gulden. Op voorwaarde dat het 1 januari 1858 ontruimd is, wat maar op het nippertje lukt. Een gedeelte van de kunstschatten en de meubels gaan (met speciale toestemming van het Vaticaan) naar het slot Camenz, in Silezië. Mariannes (Pruisische) moeder had de heerlijkheid Camenz gekocht en Marianne erfde die van haar. In 1838 werd met de bouw van het kasteel begonnen. Het was 138 meter lang, 115 meter breed en 27 meter hoog. Op de vier hoeken stonden torens van ruim 40 meter hoog en 12 meter dik. Het had twee zalen en 153 kamers. De bijgebouwen hadden nog eens acht torens. In de eetzaal waren twee enorme wandschilderingen van de Nederlandse schilder Laurens Kleyn. De beschilderde ramen waren met gas verlicht. De kamers bevatten rijk gesneden houtwerk, de muren van de kapel waren verguld. Mariannes zoon Albert, die ook veel van kunst hield, liet bovenaan de trap beschilderde glazen aanbrengen. Op de terrassen stonden honderden planten en gewassen, 's avonds waren de tuinen, de terrassen en het voorplein verlicht met tientallen gaslantaarns. Op deze burcht, die tijdens de Tweede Wereldoorlog totaal is verwoest, viert Marianne ieder jaar met haar kinderen en kleinkinderen het kerstfeest. Het grootste deel van Mariannes kunstcollectie gaat echter naar "Rheinhartshausen". Niet naar het grote landhuis, dat uitkijkt over de Rijn, maar naar een museum dat ernaast wordt gebouwd. Zeshonderd schilderijen telt het museum. Er zijn werken van Franse, Duitse, Italiaanse, Spaanse en Nederlandse schilders. Er zijn ook heel wat beelden, waaronder een marmeren beeld, dat een gesluierde vrouw voorsteld. Dit beeld heeft Marianne laten maken.
Theoloog bijvoorbeeld, of jurist. Van Rossum is het daarmee eens. Een week na het eerste bezoek brengen ze hun zoon naar het instituut. Hij wordt er ingeschreven als Johannes Willem van Rheinhartshausen. Marianne vraagt de dominee of hij er vooral op wil letten dat haar zoon geen brutaal antwoord geeft, want daar heeft hij wel eens een handje van. Als het gebeurt moet de jongen niet worden ontzien... Het ziet ernaar uit dat aan het onrustige reizen en trekken een eind is gekomen en dat "het gezin" een stabielere tijd tegemoet gaat. Kerstmis 1861 staat voor de deur. Johannes Willem komt thuis. Hij doet het goed in het internaat van dominee Feller, hij is ijverig en leergierig. Niks brutale mond, de dochter van de dominee, die mede de leiding heeft, wordt "de engel van het huis" genoemd, en Johannes Willem is beleefd en hulpvaardig. Marianne versiert het huis en laat de vertrekken feestelijk verlichten. Nog even en ze zal haar lieveling in de armen sluiten. Johannes Willem komt, maar het loopt anders dan zoals prinses Marianne zich het feest gedroomd heef. Het kind wordt plotseling ziek. De dokter wordt erbij gehaald. Johannes Willem heeft hoge koorts en toch kan de arts niets bijzonders ontdekken. Maar de dag erna is de koorts nog steeds even hoog, en Marianne wordt dodelijk ongerust, laat een arts uit Wiesbaden komen. Deze constateert roodvonk. Men probeert van alles maar het helpt allemaal niets en 's avonds om kwart voor acht, op Eerste Kerstdag, sterft de jongen. Onbeschrijfelijk verdrietig tekent Marianne diezelfde avond nog een verklaring, waarbij ze 60.000 gulden overmaakt voor de bouw van een Evangelische kerk. Daarbij geeft ze een stuk grond voor de bouw van een pastorie en een grote tuin. Haar zoon had namelijk eens gezegd dat hij het zo erg vond dat de Evangelische gemeente zo slecht gehuisvest was. Daarna schreef ze een brief aan dominee Feller. "De Heer heeft mij de zoon gegeven, de Heer heeft mij de zoon ontnomen, de naam des Heeren zij geloofd, wat God doet, is welgedaan". en: "Mijn zoon zou het heel moeilijk gehad hebben, nog moeilijker dan ik en daarvoor heeft God hem willen bewaren". Wellicht een troostende gedachte maar het kon haar verdriet moeilijk verzachten.
"De kleine Johannes was m'n laatste vreugde", schreef zij.
De prinses heeft nog steeds niet de rust om lang op één plaats te blijven.
Rheinhartshausen is inmiddels een echt cultureel centrum geworden en biedt als zodanig genoeg afleiding.
Altijd logeert er wel iemand.
Er is dan ook ruimte genoeg.
Het kasteel, dat tussen uitgebreide wijnbergen ligt, heeft 28 kamers.
De bedden zijn getooid met zijden dekens waarop het wapen van de prinses met gouddraad is geborduurd.
Als er erg veel gasten zijn wordt er ook wel eens iemand gestald in de kamertjes boven de wijnvaten...om daarna snel door de warme druivendampen verjaagd te worden!
![]() Prins Albert van Pruisen op 36-jarige leeftijd Het slot is ingericht in Louis Philippe-stijl. Overal hangen portretten van een knappe, baardige man in jagerskostuum. "Wie is dat toch', vragen de gasten, die het best weten, en altijd is het antwoord hetzelfde: "Dat is iemand waar de prinses erg op gesteld is". Marianne heeft van haar voorouders een groot zakentalent geërfd en ook nu laat het haar niet in de steek. Tijdens haar scheiding werd haar bezit al geschat op 20 miljoen gulden en het is door de jaren heen alleen maar gegroeid. Haar nazaten zullen tot de rijksten van Europa behoren... Het is jammer dat de schilderijencollectie met zoveel haast is verkocht. Met een beetje geduld had zij honderden miljoenen kunnen opbrengen. Maar zaken doen is voor Marianne niet zo belangrijk als het contact met haar kinderen, (vooral Albert ligt haar na aan het hart), haar geloof, en haar wil om goed te doen waar ze kan. Want hoe rijker ze wordt, hoe goedgeefser. "Ik ben er niet om van de mensen te leven, de mensen moeten van mij leven", vindt ze. Als een verzoek haar rekelijk lijkt, voldoet ze er aan. Zo schenkt ze aan Voorburg een pastorie en het orgel in de kerk. Verder heeft ze een groot deel van de museumtoren bij de ruïnes van het slot de Dillenburg bekostigd. Af en toe is ze met Van Rossum in Voorburg op Rusthof. En dan treft Marianne een nieuwe slag. Op 10 april 1873 sterft Johannes van Rossum aan vliegende tering. "Ik heb de kwalen ener ziekte van drie volle weken van mijn vriend en raadsman zonder stoornis bijgewoond, zijn laatste ademtocht ontvangen, zijn trouwe ogen gesloten en wacht nu, dat het God behage ook mij weg te nemen", schrijft ze. Aan een idylle van achtentwintig jaar is een einde gekomen.
1873... en nog steeds is het verbanningsdecreet van 1859, ook al is haar vroegere echtgenoot Albert inmiddels al overleden, van kracht.
Voor de zoveelste keer wordt Marianne vernederd: haar lievelingskind Albert trouwt en weer mag zij er niet bij zijn.
Ze troost zichzelf, als ze, nog steeds trouw aan Vrouw vanLoenen, (uit de tijd van haar kinderboerderij!) schrijft:
![]() Het graf van Marianne en Johannes van Rossum in Erbach, Duitsland "Mijne kinderen en kleinkinderen gaat het wel; ik heb van die kant niet te klagen; zij houden allen van de oude grootmama". Ja oud wordt ze wel, maar ze kan er met humor over schrijven: "Ik kwam 13 december (1877) geheel afgetobd hier op Rusthof aan en moest mij verstoeren om hier te blijven. Moeilijk is het mij gevallen, want ik walgde van reizen en trekken, had behoefte aan rust". "De ogen worden duister, de hand belemmerd door stijfheid; de benen buigen onder mijn zwaarte, de luchtpijpen willen niet meer, maar de mick en de perziken smaken goed". Nog tien jaar heeft zij haar levenskameraad overleefd, dan blaast ook zij haar laatste adem uit. |
