Het socialisme komt op maar tegelijk wint ook het liberale denken veld. Nieuwe opvattingen worden uitgedragen door mensen als Domela Nieuwenhuis en Thorbecke. De nieuwe koning is niet vooruitstrevend, hij is conservatiever dan zijn vader en hij kan het niet uitstaan dat deze een nieuwe grondwet heeft beloofd. Willem III vindt diep in zijn hart dat de vórst het voor het zeggen moet hebben, ministers vindt hij lastig. Hij is moeilijk te doorgronden, deze Willem, want hij is alles tegelijk: goedmoedig en opvliegend, muzikaal en bot, rondborstig en kortaf, grillig en principieel, gauw geroerd en gevoelsarm. Zijn vrouw is heel anders, ze is uitgesproken intelligent, belezen, weet over allerlei onderwerpen mee te praten en zal dat ook niet laten, en daarbij is ze er helemaal niet zo van overtuigd dat vorstelijke personen de lakens dienen uit te delen. Ze denkt Europees, daar is ze haar tijd mee vooruit. Ze spreekt dan ook vijf talen. Van poespas moet ze niet veel hebben. Vanwege haar vooruitstrevende opvatting wordt ze "la reine rouge" genoemd, de rode koningin... Ze steekt haar mening niet onder stoelen of banken, ook niet als die kwetsend is voor haar man. "Die boer" zegt ze in gezelschap van hem... Zoiets doet iemand alleen als hij tot het uiterste getergd is. Waarom heeft ze ooit "Ja" tegen hem gezegd? Omdat je nog zo intelligent kunt zijn, maar als de druk van buitenaf te groot wordt... Toen erfprins Willem, de toekomstige koning Willem III in 1838 naar Stuttgart reisde om zijn oom Willem van Würtemberg op te zoeken, begreep iedereen dat hij tegelijk graag zijn nichtjes Maria en Sophie weer eens wilde terugzien. Hun moeders waren zusters, allebei zusters van de Russische tsaar Paul. De rappe en knappe Sophie maakt meteen indruk op Willem. Logisch, verliefde meisjes zijn aantrekkelijker dan ooit, en verliefd is Sophie...op de hertog van Brunswijk. Maar Willem van Oranje is hem vóór met het vragen van haar hand, en Sophies vader en haar stiefmoeder (haar eigen moeder heeft ze niet bewust gekend) zijn maar al te vereerd met het aanzoek van de kroonprins en dulden dan ook geen verzet, hoe verlicht ze als opvoedend ouderpaar ook zijn. Ze hebben steeds gehoopt dat hun intelligente dochter eens de vrouw van een regerend vorst zou zijn. De hertog, wetend dat Willem naar haar hand dingt, houdt de eer aan zich en doet zeer gerserveerd tegen Sophie, om de zaak niet te compliceren. Diep gegriefd zegt ze, eigenlijk vooral uit wanhoop "ja" tegen haar neef. De volgende ochtend heeft ze spijt als haren op haar hoofd en tijdens een wandeling in het park smeekt ze hem om haar woord terug te geven.
Ook als er kinderen komen, eerst Willem (Al die Willemen! Hij wordt voor het gemak maar Wiwil genoemd.) en daarna Maurits, groeien de ouders niet naar elkaar toe. Integendeel, ze hebben totaal andere ideeën over opvoeden. Vooral tegen het leerplan dat voor de zesjarige Wiwil is uitgestippeld heeft Sophie de grootste bezwaren. Het kind moet goed Nederlands leren, vindt de vader (Frans is nog steeds de voertaal aan het hof) en Sophie vindt dat nergens voor nodig. Alle belangrijke geschriften verschijnen toch in het Frans of in het Duits? Elk punt in de opvoeding schijnt een twistpunt te moeten zijn, en al heeft Sophie misschien niet altijd gelijk, een groter psychologisch inzicht heeft ze zeker. Vader Willem kan genadeloos streng zijn en daarbij heeft hij soms zulke onbeheerste driftbuien dat hij de kinderen er de stuipen mee op het lijf jaagt. Toch houdt hij heus wel van zijn jongens, dat wil zeggen, hij is door ze vertederd, hij zingt soldatenliedjes voor ze, kruipt op handen en voeten door de salon, stoeit met ze. Jaja, denkt Sophie smalend, zolang ze nog klein zijn en niets kunnen terugzeggen... Zijn omgang met de kinderen lijkt een beetje op de manier waarop hij, met zijn joviale manier van doen, het volk voor zich weet te nemen. Goed bedoeld, echt gemeend, maar liefde!... Van een zekere warmte is geen sprake, niet in het contact met zijn vrouw, noch in dat met zijn kinderen. Zoiets gaat zich natuurlijk wreken. De kleine Wiwil maakt het de speciaal aangestelde gouveneur jonkheer De Casembroot al op zijn zevende erg lastig. In een brief aan de vertrouwensman van Willem (die op dit moment nog geen koning is) schrijft hij, wel wetend dat de vader van zijn pupil het onder ogen zal krijgen: "Op het Loo vindt het kind zóveel afleiding, dat het waarlijk een zware taak wordt om geduldig te blijven. Ik heb genoegzaam voor het eerst strengheid moeten gebruiken. Hoe het ook zij, ik ben van plan hem in Den Haag opnieuw fors in de gang te zetten. Het is nodig om dit kind, zonder hem evenwel te degouteren, koste wat het kost aan werkzaamheid en ijver te gewennen. In dat geval kan er alles van hem worden, maar gelukt zulks niet, dan groeit er ook niets bijzonders van. Want ook al heeft hij een goed hart, hij heeft evenwel in zich een kiem tot zekere stijfhoofdigheid, gepaard met onverschilligheid voor goed-of afkeuring, die wel in staat zijn om van tijd tot tijd de moed te doen zakken". Zo is het, "er moet iets bijzonders van groeien" en het jong komt daar al vroeg tegen in verzet.
Het leerprogramma heeft een gezonde basis: weinig leren per keer maar dat langzaam en goed.
Zo weinig kan het overigens niet zijn geweest want Wiwil begint met zes uur les per dag, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde en Nederlands.
Geleidelijk zal het aantal uren worden opgevoerd en zal er nog extra Franse les bijkomen.
's Zomers komt het prinsje om zes uur uit de veren (zal hij zijn vaders gewoonte om om vier uur op te staan overnemen?) en 's winters om zeven uur.
Om twee uur is er diner, tussen vier en vijf een uitgebreide "tea" en om half acht gaat Wiwil naar bed.
![]() De prins in een wat merkwaardig costuum Zijn opvoeders moeten hem bij zijn voornaam noemen en Nederlands met hem spreken. Later wordt goedgevonden dat ook nog wat andere jongens, van goede stand uiteraard, de lessen volgen en tenslotte wordt zelfs goedgevonden (grootvader, Willem II houdt streng toezicht!) dat de prins naar een gewone school gaat, zodat de Hagenaars hem op gezette tijden met een schooltas zien lopen. Jonkheer De Casembroot blijft uiteraard voortdurend toezicht houden en gebruikt ook alle maaltijden met het prinsje. De bedoeling is dat Wiwill op zijn veertiende kan voldoen aan de zwaarste eisen van het toelatingsexamen, op zijn achttiende aan de zwaarste eisen van het eidexamen van de militaire academie en daarna zal hij dan tot zijn drieëntwintigste de tijd krijgen voor een hogeschoolstudie. Dat plan dreigt al vroeg te mislukken. Wiwill is heus niet dom maar wel opstandig en ongedurig... De liefde die hij bij zijn vader mist krijgt hij dubbel en dwars bij zijn moeder, ze weet ook nog wel op zijn gemoed te werken, maar het tragische is dat Sophie ondanks, of misschien juist door haar enorme zorg en toewijding (ze vindt het moederschap veel belangrijker dan haar taak als koningin) haar kinderen waarschijnlijk ook geen grote dienst bewezen heeft. Haar liefde was gevend maar ook bezitterig: Ze kwam zelf zoveel liefde tekort en klampte zich aan haar kinderen vast. Dit maakte in het geval van haar jongste zoon Alexander, die pas later zal geboren, en die zeker door zijn zwakke gestel extra zorg nodig had, zó'n moederhouding had, dat hij later onmogelijk van een ander, en al zeker niet van een andere vrouw, zou kunnen houden. Na de dood van de zesjarige Maurits gaat het met het huwelijk helemaal bergafwaarts. Als Sophie de artsen het woord "hersenontsteking" hoort uitspreken, smeekt ze haar man om nog een andere dokter te laten komen, die misschien nog iets voor het kind kan doen, maar Willem vindt dat niet nodig. Dat haar man die begrijpelijke wens niet wilde inwilligen, heeft ze hem nooit vergeven. Als het kind gestorven is, kampen beiden met hun eigen verdriet. Ruzies worden over het hoofd van hun oudste jongen uigevochten. Twee keer per jaar weet Sophie de spanningen en de "vreselijke grijze druilerigheid" van haar omgeving te ontvluchten, dan gaat ze naar Stuttgart, naar haar eigen familie, waar ze altijd zo gelukkig is geweest. Intussen groeit Wiwill uit van een dondersteen, (die daarentegen altijd "zo aardig-gewoon" doet tegen iedereen) tot een waar potentaat. Hij heeft ontdekt dat hij een belangrijk personage is en laat dat anderen voelen. En zo komt het dat de elfjarige prins, die door zijn vader naar het legerkamp in Zeist wordt meegetroond om daar tot eerste luitenant benoemd te worden, maar eigenlijk veel liever, net als vroeger nog eens bij zijn moeder op schoot zou willen zitten, naar de kostschool Noorthey in Voorschoten wordt gestuurd. Een koningskind naar kostschool, dat was eerder nog niet voorgekomen. Sophie zit dan in Stuttgart. Haar man vindt, niet helemaal ten onrechte, dat zij de kinderen tegen hem opzet en aan zijn gezag probeert te onttrekken. De onderhandelingen voor een scheiding zijn in volle gang. Jonkheer De Casembroot probeert de vorst uit te leggen dat een deel van de onverschilligheid van zijn zoon te wijten is aan het feit dat het kind geen steun meer ontvangt van Hare Majesteit. De koning wordt rood als hij het hoort. Is zijn zoon dan nog steeds zo'n moederskindje? Misschien is het toch beter dat de scheiding niet doorgaat en Sophie terugkomt. Had zijn oom, de nobele prins Frederik, er niet keer op keer op gewezen dat het ook in het belang van het land was, dat het koninklijk paar niet uit elkaar ging?
En het komt tot een tijdelijke verzoening.
Er wordt zelfs een baby geboren, weer een jongen, Alexander.
Het is een heel teer poppetje, dat is van het begin af aan duidelijk.
Dat ook nu geen band tussen de ouders zal ontstaan is ook duidelijk.
Wat heeft de koning in besloten kring ook weer gezegd?
![]() Maurits en Willem, de twee zoons van de laatste Oranje-koning "Ik neem hem aan als een geschenk van de Voorzienigheid, maar ik kan mij niet verheugen". Hij maakte zich over zijn kinderen geen illusies meer. "Mijn zoon is bang voor me, hij houdt niet meer van mij", zegt hij van de kleine Willem Zijn gehele hart gaat uit naar zijn moeder. Mijn zoon Maurits is dood, arm kereltje, en uit wat ik heb vernomen zal Alexander zijn moeder nog oneindig veel meer nodig hebben. Hij is heel zwak en teer, berichten mij de artsen. Een kasplantje. Ik vrees dat ik ook aan hem niet veel zal hebben. Maar dat is dan mijn tragiek". En daarmee sprak hij profetische woorden. Het bevalt Willem wel op Noorthey. Zijn grote verdriet is dat hij zijn moeder nooit meer ziet. Zij woont met zijn broertje in Huis ten Bosch, zijn vader heeft het nu alleen te zeggen over zijn opvoeding, en de jonkheer blijft natuurlijk toezicht houden. Deze maakt zich nog steeds erg bezorgd over zijn pupil. Paardrijden kan hij als de beste, en ook in exercities en gymnastiek munt hij uit, maar de rest... En er gaat een zoveelste klaagbrief naar 's konings vertrouwensman, baron Forstner uit. "Met prins Willems gedrag is het de laatste dagen niet al te best geweest; de zonderlinge en bij andere kinderen vergeleken verschillende verschijnselen wijzen op een gemoedstoestand die mij wel eens doen denken...of helas ten opzichte van zijn verstand, alles wel geheel en al zuiver is. Een zonderlinge en zich nu weder sedert enige tijd geopenbaard hebbende neiging bij hem is: zich in het openbaar te beroemen op onverschilligheid, luiheid en gebrek aan al wat maar belangstelling gelijkt... Twee dagen lang heb ik mij jegens hem, tegen mijn gewoonte, uiterst koelen diep getroffen getoond en gisteren was blijkbaar het ijs gebroken. Schreiende vroeg hij me of ik hem alles vergeven wilde, waarop ik hem hartelijk, maar met nadruk heb aangesproken... Hij erkende mij (is dit nu werkelijk zo? moet ik mij vragen) dat dikwerf plotseling een zucht in hem opkwam om onaangenaam te zijn; een verbeten wrevel zonder de minste aanleiding, die zich lucht moet geven..." Dan krijgt koningin Sophie een meesterlijk idee, zo goed dat zelfs de koning er niet tegen is.
Willem wordt nu al weer wat ouder...hij moest eens een paar zeereizen gaan maken.
En hij gaat, naar de Middellandse zee, en het jaar daarop naar Bergen, IJsland...
En hij zwabbert geestdriftig het dek en is niet te beroerd op zich te oefenen in splitsen en knopen.
De avonden in de kajuit met de commandant en zijn officieren, de gemakkelijke omgangstaal is voor de constant onder druk levende prins een ware verademing.
Prins Willem is nu zestien jaar en naar Noorthey hoeft hij niet meer terug.
Maar je kunt niet aan het varen blijven, niet als je kroonprins bent, en de volgende stap was dus: studeren.
![]() Kroonprins Willem, ongeveer 17 jaar oud Leiden, onder hoede van De Casembroot. Studeren bevalt de prins wel, niet het college lopen, maar alles wat erbij hoort. Woest gefeest, onmatigheid, wijntje en trijntje, zo was het studentenleven van de tweede helft van de negentiende eeuw, en dat leventje paste Willem wonderwel. Alleen de arme jonker had er zijn handen vol aan om Willem van al te dolle escapades af te houden. Van de koning kon hij weinig steun verwachten, want die gaf eigenlijk niet het goede voorbeeld. En Sophie? Die huldigde het standpunt dat de jongen eens goed moest kunnen uitrazen. Niettemin kwam ze elke week in Leiden een kijkje nemen en wat ze daar zag beviel haar inderdaad niet erg. Dat haar oudste niet direct een knappe jongeman geworden was, vond ze een tegenvaller. Hij was lang, liep traag en altijd met zijn hoofd een beetje scheef. Zijn jeugdpuistjes verborg hij onder een lange, dunne baard. Hij had een nogal weke gelaatsuitdrukking. Maar goed, dat kon nog veranderen. Ze vond het vervelender dat hij werkelijk erg lui was en zich voor niet veel interesseerde. Na anderhalf jaar verlaat hij de universiteit met een "loffelijk getuigschrift". Het getuigschrift van de zwaartillende De Casembroot was minder loffelijk:... Op alles wat ik mocht zeggen bekwam ik niets dan dwaze en allerontmoedigendste antwoorden en eindelijk werd daarop de kroon gezet door de verklaring: dat hij altoos dankbaar was voor raad van zijn vrienden (valse, zogenaamde vrienden en bedorven jongelui der Haagse wereld, licht hij Forstner toe) maar dat hij nimmer iets aannam van alles wat naar een autoriteit zweemde. Toch was het leven dat de prins leidde in die tijd niet zo uitzonderlijk vergeleken met dat van andere hovelingen. In Den Haag werkte men niet of nauwelijks, men flaneerde, men bezocht socïeteiten, kortom men amuseerde zich. De afstand tussen deze groep en het gewone volk was onoverbrugbaar groot. Juist omdat die afstand zo groot was, kon de prins best eens een gewoon praatje met "de gewone man" maken. De grenzen lagen immers bij voorbaat vast... De prins was weer zo vriendelijk eenvoudig, heette dat. Maar de prins blijft zich bezondigen aan onmatigheid, zoals dat heet, al waren er wel eens momenten dat hij tot inkeer leek te komen. In het kort kwam het hierop neer: de prins had geen taken. Ook de regering gaat zich nu met zijn geval bemoeien. De gedachten gaan uit naar een passend huwelijk. Als Zijne Koninklijke Hoogheid Uwe Majesteit eens vertegenwoordigde bij de inhuldiging van uw doorluchtige neef, Zijne Majesteit tsaar Alexander II van Rusland", stelt zij de koning voor. Daar zijn enkele huwbare grootvorstinnen... De prins dus af naar Moskou. Hij amuseert zich kostelijk aan het tsarenhof. De uitverkoren grootvorstin viel tegen. Hijzelf kennelijk ook. "De boerin wil me niet" schrijft hij opgewekt naar huis. Maar er is inmiddels een nog veel betere partij voor hem gevonden: prinses Alice, de dochter van koningin Victoria van Engeland. De prins wil best eens gaan kijken maar vertrekt, we zijn in het jaar 1860, eerst voor een bezoek aan Parijs. En het is niet aan Alice, maar aan de lichtstad, dat hij zijn hart verliest... Parijs! Niet het Parijs van Napoleon III en de hoge Franse adel maar het Parijs van de boulevards, de caféterrassen, de renbanen, de theaters en de speelzalen fascineert Willem. Alle officiële uitnodigingen slaat hij af. "Straks moet ik naar Londen", redeneert hij, "nu wil ik vrij zijn om te doen en laten wat ik wil". Welk een indruk moet de pracht van de Franse hoofdstad niet maken op een jeugdig gemoed", vraagt Thorbecke zich hardop af... Welnu, zo'n indruk, dat de informaties die koningin Victoria bij haar oom, de Belgische koning Leopold inwint niet bepaald daverend zijn. Die "Orange boy", zoals ze hem noemt, moet wel een heel wilde knaap zijn. Willem is trouwens helemaal niet geïnteresseerd in prinses Alice, die nog maar een schoolmeisje is. Hij heeft genoeg vriendinnen. Niettemin reist hij in januari 1860 toch naar Engeland en hij wordt daar op kasteel Windsor nogal koel ontvangen. Maar door met prins Albert over politiek te converseren en koningin Victoria op haar gevoelens te spelen, duurt het niet lang of Orange boy wordt eigenlijk best een aardige jongen gevonden.
Als Willem even aanwipt in Parijs doet de keizer iets waardoor dit verhaal een beetje gaat lijken op een operette. Hij zorgt dat Willem Elizabeth Cookson ontmoet, een van de bekendste lichtekooien uit het Parijs van die dagen. De opzet van de keizer slaagt. Willem stelt zijn bezoek aan Engeland uit en al gauw ziet "tout Paris" Willem met deze Elizabeth in zijn oranje-kleurige landauer door de stad rijden. Mary wordt vergeten. Als koning Willem III de laatste ontwikkelingen hoort is hij woedend. "Als u deze relatie niet onmiddellijk verbreekt hoeft u op geldelijke steun niet meer rekenen" laat hij weten. Willem luistert niet en inderdaad raakt het paar in de grootste financiële moeilijkheden. Geen punt, vindt Elizabeth. Ze zal wel even de trein naar Den Haag pakken om de koning de situatie persoonlijk uit te leggen. Ze wordt nog ontvangen ook en dan gebeurt er iets ongelooflijks: de koning wordt óók verliefd op haar en installeert haar in een appartement, niet ver van zijn paleis, waar hij haar regelmatig in het geheim bezoekt. Nou ja, geheim...als het uitlekt is hij genoodzaakt om haar weg te sturen. Hij geeft haar een handje aandelen mee, die achteraf heel veel waard blijken te zijn. Elizabeth is uit de zorgen en Willem in Parijs wil haar wel terug. Spottend wordt zij "de koningin van Nederland" genoemd. Maar dan trouwt ze onverwacht met een dirigent en dan is deze romance afgelopen. Ondanks dit alles blijft de verhouding tussen de prins en zijn moeder goed. Sophie heeft niettemin haar handen vol aan de problemen met haar zoons en daar maakt ze zich ook niet van af. Op 9 februari 1861 wordt in Den Haag druk gevlagd. De koning, diens broer prins Hendrik en kroonprins Willem komen terug... Dagen achtereen hebben ze als ware helden geholpen bij de watersnoodramp. Nu wil Den Haag laten zien hoe dankbaar de bevolking daarvoor is. Er gaat toch maar niets boven het Oranjehuis! De kroonprins is in deze jaren echt van goede wil. Hij is nu uitgegroeid tot een fors-gebouwde jongeman. Met zijn snor en zijn puntbaard ziet hij er nu heel wat innemenderuit dan een paar jaar daarvóór. Hij maakt dikwijls zittingen van de Raad van State mee. Hij is inspecteur-generaal van de cavalerie geworden. Daar heeft hij het wel niet zo druk mee, maar het is tenminste een functie. En als in 1870 de oorlog tussen Duitsland en Frankrijk is uitgebroken, verklaart Nederland zich neutraal (maar is pro-Frans) en wordt Willem tot opperbevelhebber van het leger benoemd. Een leger dat niet echt vecht, maar wel paraat is. Het lijkt alleen of niets wat de prins onderneemt serieus genomen wordt. Als hij in de Raad van State een werkelijk knappe rede houdt over het Nederlandse vestingstelsel, zegt een lid van de raad, zodra Willem uitgesproken is: "Zo heren, laat ons nu met de behandeling der zaak voortgaan". Woedend is de prins! Als na de mobilisatie van het leger de prins, de opperbevelhebber dus, niet eens aan het woord komt, gooit hij het bijltje erbij neer. Dan maar weer liever Parijs! Hij houdt er een eigen renstal op na en reken maar dat die kapitalen verslond, en met zoveel zogenaamde vrienden om je heen, is het ook geen wonder dat hij een enkele keer flink wordt opgelicht. Verder kosten de talloze liefjes ook een stevige duit... Rond de jaren zeventig is de situatie rond het koninklijk gezin dus zo: de vader en de moeder wonen apart en houden er elk een eigen hofhouding op na. De twee volwassen zoons gaan elk, zij het heel verschillend, hun eigen weg. Alleen bij bepaalde sterfgevallen en in 1874, bij het zilveren regerings-jubileum, ziet men de koninklijke familie nog wel eens vereend. De enkele keren dat de zonen hun vader zien is de ontvangst koel en hangt er een sfeer van stille verwijten in de lucht. Sophie kwijt zich gewetensvol van haar taken, als we haar portretten bekijken zou je bijna geloven dat zij een gelukkige vrouw is. Maar dat is ze niet. Ze blijft in veel zaken geïnteresseerd, ze publiceert, maar bij iemand die eenzaam en ongelukkig is, vinden de zonen geen echte warmte. Willem begeeft zich af en toe weer op het huwelijkspad. In 1871 heeft hij oog voor de vierde dochter van koningin Victoria, Louise. Na alles wat er gebeurd is, voelt de Engelse vorstin daar weinig voor. Het gaat dan ook niet door. "Ik zal haar altijd betreuren", schrijft koningin Sophie, "zij was de dochter van mijn keuze. Willem zit steeds vaker in het buitenland. In Parijs wordt hij gesignaleerd met Sarah Bernhard, de beroemde actrice, die hem al gauw laat merken dat ze niet van zijn avances gediend is. Een nieuwe vriendin is Diana, de dochter van de hertog van St. Albans. Ze raken zelfs verloofd, maar na korte tijd wordt die verloving weer verbroken. En dan komt Willem zijn grote liefde tegen... Deze liefde zal dé grote tragedie van zijn leven worden, want al zijn pogingen om met haar te trouwen zullen afketsen op het glasharde "nee" van zijn vader, en uiteindelijk zal dat leiden tot een vrijwillige ballingschap in Parijs.
Zijn antwoorden zijn steeds hoffelijk maar beslist. Hij wenst niet af te zien van het meisje dat hij heeft lief gekregen. Hij heeft zijn hele leven nog geen liefde ontvangen, liefde wanneer zijn hart hunkert. Hij heeft het gezocht in gezelschap van ontelbaar velen, die hem alleen maar schijngenot en schijngenegenheid konden schenken. Nu is de echte liefde in zijn leven getreden en nu zal hij ervoor vechten...schrijft hij. En ook toen de koning, op verzoek van de kroonprins door minister Fransse van de Putte ingelicht, een ongekende woedeaanval kreeg en door de audiëntiezaal van Het Loo "Jamais! Jamais!" (nooit! nooit!) bulderde, zodat de minister zich uit de voeten maakte omdat hij bang was dat de vorst hem zou aanvliegen, bleef kroonprins Willem zijn liefde trouw, en Mattie ook hém. Dat prins Willem op Mattie verliefd werd, is wel te begrijpen. Ze had nu werkelijk alles mee: ze was een knap, rijzig gebouwd meisje met donker golvend haar en grote helderblauwe ogen die onvervaard de wereld inkeken. Ze was pienter en geestig en al vroeg bekend om haar fenomenale talenkennis. In gezelschap schakelde ze met het grootste gemak over van Frans op Engels en van Duits op Italiaans. Wat dat betreft leek ze wel wat op de koningin, alleen was Mattie veel warmer van aard. De scénes die zich op het paleis Noordeinde of op het Loo tussen vader en zoon afspelen, zijn verschrikkelijk. Koningin Sophie is het wel met haar man eens, ondanks de grote vertwijfeling die uit de brieven van haar zoon spreekt. Willem zoekt steun bij iedereen, bij zijn broer Alexander, bij zijn ooms Hendrik en Frederik, maar nergens vindt hij begrip. Als Matties moeder hem in een brief ook op de financiële consequenties van een eventueel huwelijk met haar dochter wijst, vraagt hij haar of zij nu werkelijk denkt dat hij zijn liefde zal opgeven voor "quelques billets de banque", voor een paar bankbiljetten. Dit grimmige gevecht om zijn geliefde duurt jaren en zal maken dat de koning en de kroonprins zich nooit meer met elkaar zullen verzoenen. Na de laatste ruzie met zijn vader, gaat de prins, die twee jaar achtereen ongelukkig en eenzaam op de Kneuterdijk heeft gewoond, in vrijwillige ballingschap naar Parijs... Hier treedt hij een enkele keer op als "Le prince d'Orange", maar vaker leeft hij als "Le prince Citron", uitvinding van de leukste thuis, een leven temidden van types die er overal prat op gaan dat ze de prins met jij en jou mogen aanspreken. Zijn appartementen zijn weinig koninklijk. Hij woont eerst in de rue de Ponthieu, dan in de rue Auber, achter de Opéra, waar zijn trouwe kamerdienaar Donker hem met zorg omringt. Hij slaapt er zelden en eet er nooit, al heeft hij twintig stoelen rond de tafel in de eetkamer staan. Daar hangen dan ook de pakken over, die Donker altijd netjes in orde moet houden omdat de prins maar al te vaak binnenstuift om zich in razend tempo te verkleden. Intussen staan de Parijse boulevardbladen natuurlijk vol van de escapades van de prins. Stof genoeg! In het vaderland schudden de ministers de wijze hoofden. De prins weigert het officiële verzoek om terug te komen. "Mijn vader is uitstekend op de hoogte van de redenen die mij ver van het vaderland houden", antwoordt de prins. En daarop wordt hem zijn laatste officiële en betaalde functie, die van inspecteur van de cavalerie, ontnomen. Maar dan is koningin Sophie stervende... Willem staat aan haar bed als de koning binnenkomt. Sophie is al buiten bewustzijn. Maar net als devorst het vertrek wil verlaten, doet de koningin nog eenmaal haar ogen open. Er komt een blik van herkennig in haar ogen als ze Willem III ziet.
Hij buigt zich naar haar over en zegt zacht: "Madame".
Maar Sophie tast naar de hand van haar oudste zoon en daarop verwijdert de koning zich zwijgend.
En op die derde juni 1877 sterft Sophie.
In een brief aan Mattie schrijft prins Willem hoe groot dat verlies voor hem is.
Na de bijzetting in de Delftse grafkelder gaat Willem naar Parijs terug.
Nog steeds verlangt hij naar Mattie en hij waagt nog één vertwijfelde poging...
In een smekende brief aan zijn vader vraagt hij om toestemming voor het huwelijk.
De koning antwoordt niet eens.
Nu doet de prins een beroep op de ministerraad maar de regering is net afgetreden en kan niets doen.
![]() Anna Mathilde van Limburg Stirum En bij de formering van het kabinet laat de koning bij voorbaat weten dat hij nooit en nooit zijn toestemming voor het huwelijk zal geven. Nu geeft ook Mattie het op en in een roerende brief geeft ze hem zijn woord terug... De laatste klap komt als de prins hoort dat de koning denkt te hertrouwen met een Franse actrice die hem op haar buiten in Rijswijk soms dagelijks ontvangen heeft. De regering brengt de koning van zijn voornemen af, de koning is daar later zelfs heel dankbaar voor, maar "het zat de prins niet lekker" en daar is in te komen... Het zint Willem ook niet dat zijn vader anderhalf jaar na de dood van zijn moeder een nieuw, zij het wél passend huwelijk sluit, namelijk met de twintigjarige Emma van Waldeck Pyrmont. Hij wel, moet de zoon schamper gedacht hebben. 23 Mei 1879. De prins is naar een bal geweest bij de vicomtesse de Courval. Bij wijze van uitzondering komt hij 's ochtends om drie uur thuis in de rue Auber. "Donker!" roept hij. "Ik voel me ellendig. Ik ben bang dat ik vanavond heb kougevat". Zijn trouwe kamerdienaar maakt warme melk, maakt een kruik, stopt de rillerige prins goed in maar de volgende denkt de prins er niet aan om in bed te blijven. Hij ontvlucht de eenzaamheid, alles liever dan dát. Dat houdt hij drie dagen vol, dan is de prins zo ziek dat Donker dadelijk de doktoren waarschuwt en ook de adjudanten, die alarmerende berichten naar de koning en naar prins Alexander sturen. Een nicht van koningin Sophie, Mathilde Bonaparte, spoedt zich naar de rue Auber. De prins blijkt een ernstige longontsteking te hebben. Op 2 juni komt prins Alexander, extra ongerust omdat hij weet dat zijn broer suikerziekte heeft, in Parijs aan. Hij treft de kroonprins erg onrustig aan. Als Alexander hem zo ziet, springen de tranen hem in de ogen. Er staan beroemde artsen aan het bed van de doodzieke prins. De longontsteking lijkt minder erg geworden, maar een nieuwe bronchitis maakt dat de prins het erg benauwd heeft. Op 9 juni besluiten de doktoren "koppen" te zetten. (Glaasjes om bloed mee af te zuigen.) Natuurlijk gaat het als een lopend vuurtje dat prins Willem ziek is. Dagelijks melden zich drommen mensen die bloemen en fruit komen brengen. De meesten weten niet precies waar hij woont. Een van de buren spijkert een bordje op de deur: "Hier woont de prins van Oranje niet!" Op 11 juni ligt de prins met gesloten ogen hijgend in de kussens. "Zal ik Uwe Hoogheid een weinig gemakkelijker in bed leggen?" vraagt de kamerdienaar. "Ja Donker", antwoordt de prins. "Doe maar wat je goedvindt". En dan strekt hij zijn armen uit, alsof hij zich wil oprichten, en valt dan achterover in de kussens. Hij is dood. Alexander snelt even later binnen. Hij vindt het vreselijk dat hij er net op het moment van het overlijden niet was. Iemand uit het gevolg fluistert: "Daar ligt dan Nederlands hoop". De Figaro verschijnt met een herdenkingsartikel. De journalist schrijft:
De prins van Oranje had haar enkele jaren tevoren leren kennen, was hals-over-kop verliefd op haar geworden en wilde met haar trouwen... De prins had de vrouw van zijn dromen ontmoet, die hij waardig oordeelde om eens aan zijn zijde plaats te nemen op de Nederlandse troon. Het kille, onvermurwbare staatsbelang verzette zich tegen deze verbintenis... Ik zou niet verbaasd zijn wanneer er onder de schijnbare zorgeloosheid van zijn Parijse leven gedurende deze laatste jaren een grote smart verborgen is geweest". En Mattie? Zij rouwde nog twee jaar om haar geliefde en in 1881 trad zij in het huwelijk met baron van Tuyll van Serooskerken. Het leven ging verder. |
