Koning en Keizerrijken  

  Prins Hendrik: Biografie

| Koninkrijken | Nederland | Biografie | Fotoalbum | Video |


Prins Hendrik
(1876-1934)
Hertog Heinrich Wladimir Albrecht Ernst, vorst der Wenden en heer van Stargard, had in zijn officierstijd in Berlijn en Potsdam zijn heil gezocht in een uiterst vrolijke en losbandige levenswandel.

De echo's van dat vertier waren zelfs tot het Nederlandse Hof doorgedrongen, en koningin Emma had zo haar bedenkingen, toen haar vriendin Marie - Hendrik's moeder - een huwelijk tussen haar zoon en de jeugdige koningin Wilhelmina begon te bedisselen.

Ze liet althans heel discreet een antecedentenonderzoekje naar de zoon van haar vriendin instellen. Op het groothertogelijke paleis in Schwerin had hertog Hendrik een eenvoudige, degelijke opvoeding gehad.

Op 19 april 1876 was hij er geboren als de derde zoon van erf-groothertog Frederik Frans II von Mecklenburg-Schwerin en prinses Maria Carolina Augusta von Schwarzburg-Rudolstadt. Hehoorzaamheid was het sleutelwoord in de opvoeding van die dagen en hertog Hendrik leerde als kind van zes al (van een Pruisische onderofficier) exerceren.

Kwamen vader of moeder er aan, dan hoorde zo'n jochie meteen in de houding te gaan staan. Op zijn dertiende verhuisde hij met zijn gouverneur naar Dresden waar vijf gymnasiumjaren volgden. Hendrik was toen al een prakticus, die meer plezier vond in rietvlechten, schieten en meubelmaken dan in Grieks en Latijn. Nauwelijks achttien trok hij de wijde wereld in.

Met een majoor Alt-Stutterheim ging hij een reis door het toenmalige Brits-Indië maken, een omvankelijke onderneming die ruim negen maanden zou duren. Kort na zijn terugkeer, zomer 1895, trok hertog Hendrik naar Metz waar hij de militaire academie bezocht. Al enkele maanden later werd hij als prille tweede luitenant van het bataljon Gardejagers in Potsdam in garnizoen gelegd.

Kort na zijn bevordering tot eerste luitenant en na drieënhalf jaar militaire dienst werd de jonge hertog op eigen verzoek op non actief gesteld. Hij was nauwelijks drieëntwintig, ontving van zijn familie het niet onaardige jaargeld van tienduizend thaler en installeerde zich in Schwerin in het zogeheten "Grünhaus", een vriendelijke witte villa die in de uitgestrekte tuinen van het groothertogelijk paleis lag. Het zou zijn eerste en laatste privé woning zijn.

Want in de paleizen van zijn Nederlandse bruid zou hem later wel her en der een werkkamer ter beschikking staan, maar hij had daar nergens de mogelijkheid om zijn eigen zaken achter slot te brengen. Die luxe had Hendrik pas veel later alleen op het hoofdkantoor van het Rode Kruis in Den Haag, waar hij als voorzitter over een afsluitbaar bureau beschikte.

Drie Nederlandse koninginnen hebben, als prinses, hun toekomstige echtgenoot voor het eerst niet in Nederland, maar in het buitenland ontmoet. In sprookjes zijn het veelal rondreizende prinsen (of schoenlappers) die in een schitterend paleis binnentreden en daar ineens de vrouw van hun dromen vinden, maar hier gaat het om zorgvuldig gearrangeerde en even nauwlettend geheim gehouden ontmoetingen, die ogenschijnlijk even spontaan-toevallig als onopvallend zijn.

Zo kwam Wilhelmina in contact met Hendrik op een bruiloft in Frankrijk. Hoe ging het allemaal precies? Menigeen heeft zich achteraf afgevraagd waarom juist die vrij onbekende "operette"- hertog Heinrich von Mecklenburg-Schwerin aan de jonge Nederlandse vorstin - de laatste der Oranje-Nassaus - moest worden gekoppeld. Destijds werd veel politieke betekenis gehecht aan een dergelijke vorstelijke huwelijksband.

Tussen de Europese supermachten die aan het einde van de negentiende eeuw de wereldpolitiek bepaalden, Engeland en Duitsland, nam het door zijn koloniale bezittingen machtige Nederland een neutrale positie in. Het was bij de toenmalige vorstendiplomatie de moeite waard om via een prins-gemaal het neutrale Nederland toch in een bepaalde invloedssfeer te trekken, en zowel de Britten als de Duitsers waren met huwelijkskandidaten komen aandragen.


"Nur ein Deutscher Prinz darf sie bekommen", had de Duitse keizer aan zijn gezant in Den Haag opgedragen. Maar de keizerlijke kandidaten, de prinsen Friedrich-Wilhelm van Pruisen en Wilhelm von Wied, vonden in de ogen van de jonge koningin geen genade.

Toen al - ze was net achttien - was het Nederlandse koninginnetje internationaal gevreesd om haar koppige wilskracht en haar volstrekte eigenzinnigheid. De Duitse gezant had trouwens al zorgelijk bericht, dat haar toekomstige echtgenoot mocht rekenen op een moeilijk huwelijksleven.

Hertog Heinrich moet van die voorspelling nooit op de hoogte zijn gebracht. Hij ontmoette de toen 17-jarige Wilhelmina voor het eerst in het voorjaar van 1898 in Cannes, toen ze daar met koningin-moeder Emma het huwelijk bijwoonde van Alexandrina Augusta von Mecklenburg (een nichtje van Hendrik) en prins Christiaan van Denemarken. Twee jaar later zette Emma wat meer vaart achter haar plannen om de jonge koningin van een man te voorzien.

Er volgden bezoeken aan het Duitse vorstendommetje Schwarzburg-Rudolstadt waar hertog Hendrik ettelijke malen zijn opwachting bij de Nederlandse koningin maakte. Die ontmoetingen waren bekokstoofd door koningin-moeder Emma en een van haar goede vriendinnen, Marie Schwarzburg-Rudolstadt, Heinrich's moeder. Wilhelmina logeerde er in het hotel "Weiszer Hirsch". Bij haar vertrek zei ze glimlachend tegen de waard:

"De dagen die ik hier in Schwarzburg heb doorgebracht zijn de gelukkigste van mijn leven".

Heinrich moet toen nog zeer bij haar in de smaak zijn gevallen. In de herfst van 1900 was de jonge hertog naar het Zuidduitse stadje König getrokken, waar hij de gast was van de erfgraaf Erbach Schönberg. Ook Emma en Wilhelmina logeerden daar als "de gravinnen van Buren". Op 12 oktober werd hier besloten tot de officiële verloving. En op 7 februari 1901 werd in Den Haag het huwelijk voltrokken.

Aan de bruidegom werd op die trouwdag de titel Prins der Nederlanden verleend, en hij sprak (in het Duits) een roerend dankwoord uit voor de ontvangst die hem ten deel was gevallen en de liefde waarmee hij was aanvaard.

"Het zal mijn ernstig streven zijn mij deze liefde waardig te tonen", eindigde hij, "opdat ik enigermate zal mogen delen in de liefde van het Nederlandse volk voor zijn koningin"...

De prins was toen net veertien dagen tevoren genaturaliseerd tot Nederlander. En dat had nogal wat voeten in de aarde gehad. Hertog Heinrich had eerst "Entlassung" moeten krijgen van zijn oorspronkelijke nationaliteiten: de Duitse "Reichsangehörigkeit" en de Mecklenburgse "Staatsangehörigkeit". Pas toen die "Entlassung" een feit was kon Hendrik Nederlander worden.

Maar bovendien moest er nog rekening worden gehouden met de "huisrechten" van de Mecklenburgers, die inhielden dat hertog Hendrik en zijn vrouw onder de zeggenschap vielen van het hoofd van het Mecklenburgse Huis dat bijvoorbeeld kon beslissen over opvoeding, woonplaats en huwelijkssluiting van hun eventuele kinderen.

Daar kon een Nederlandse koningin zich vanzelfsprekend niet aan onderwerpen, en er waren nogal wat overeenkomsten tussen Mecklenburg en Nederland nodig om die huisrechten ongedaan te maken. Prins Hendrik is wel "de vergeten vader van een koningin" genoemd. Begrijpelijk, want in geen enkel opzicht kon hij als "hoofd van het gezin" worden aangemerkt. De man had doodgewoon niets te vertellen.

Voor zijn dochter is hij niettemin altijd een toegewijde en hartelijke vader geweest, die zich intens interesseerde voor het wel en wee van zijn kind. Over zijn oogappel had hij altijd een standaard grapje klaar: "Jula is niecht van mai", zei hij in zijn lang niet vlekkeloze Nederlands en met een ernstig gezicht tegen zijn toehoorders, wanneer het gesprek op de kleine prinses kwam.


Prins Hendrik met Wilhelmina, een fraaie foto uit 1901, ten tijde van de huwelijksvoltrekking

En nadat iedereen even de adem had ingehouden in afwachting van een nu komende onthulling, liet Hendrik zuchtend volgen: "Ze is van Apriel", waarop hij steevast in een bulderende lach schoot en nog harder ging gieren wanneer zijn gezelschap wat verbaasd en meesmuilend begon mee te lachen. Koningin Wilhelmina vondt dergelijke grapjes volstrekt beneden de koninklijke waardigheid.

En Hendrik hoefde er in haar aanwezigheid echt niet mee aan te komen. Ze had bovendien weinig gevoel voor humor en zeker niet voor de goedaardige maar vaak heel naïeve humor - plus onschuldige verspreking - van haar echtgenoot. Hendrik hield van kinderen. En hij was één en al verukking toen koningin Wilhelmina tenslotte na acht huwelijksjaren beviel van dochter Juliana.

De echtvereniging tussen de Nederlandse koningin en de Mecklenburgse hertog was in hoofdzaak een "mariage de raison" geweest; en ook had in hoge mate de overweging gegolden dat zo snel mogelijk het voortbestaan van de in Nederland regerende dynastie veilig moest worden gesteld. Hendrik en Wilhelmina schenen daar in het prille begin van hun huwelijk niets op tegen te hebben.

Op foto's uit die periode lijken ze een gelukkig paar; vooral de zo jonge koningin zag er toen vrolijk en ontspannen uit, elegant en slank in een modieus rijkostuum en zelfs stralend en sprankelend mooi. Al vrij kort na de bruiloft raakte ze in verwachting, maar in 1902 eindigde die eerste zwangerschap in een miskraam. Ook daarna bleken de koninklijke zwangerschappen steeds uit te lopen op een miskraam.

In die jaren leidde dat tot de wildste speculaties over de toekomst van de kroon én het land: naarstig werd in de diverse stambomen nagevlooid welke min of meer obscure vorstenhuizen de telgen bezaten die na Wilhelmina de Nederlandse troon zouden kunnen bestijgen. Anderen hielden het er op dat Nederland dan beter een republiek kon worden en er werd ook al verondersteld dat een inlijving bij Duitsland nauwelijks kon uitblijven.

Koningin en prins schenen zich van al die geruchten nauwelijks iets aan te trekken. Ze genoten in die jaren nog samen met volle teugen van het leven. Gingen vaak met het paleisbootje spelevaren op de vijvers van Het Loo, trokken er samen te paard op uit, en maakten samen groot plezier op hun officiële rijtoeren waarbij ze in het rijtuig spelletjes deden om op zo'n eindeloos durende tocht de verveling op de vlucht te jagen.

Vaak besloten ze tot "baarden tellen"; ieder voor zich turfde het aantal baarddragers langs de route, en wie tenslotte de meeste baarden had geteld werd, eenmaar weer thuis, tot winnaar uitgeroepen. Prins Hendrik vond kinderen vertederend. En legio zijn de verhalen over de ongeveinsde hartelijke belangstelling waarmee hij kinderen voor zich wist in te nemen. Op een van zijn wandelingen in de Veluwse kroondomeinen zag hij twee jongens en een meisje bosbessen plukken.

"Mogen jullie dat wel?" vroeg hij glimlachend, "weet je wel dat je daar een vergunning voor bij de boswachter moet kopen?"

De kinderen vroegen wat angstig of hij misschien de boswachter was (Hendrik liep graag in zijn jachtplunje). En herademend, toen hij zei dat ze zich niet ongerust hoefden te maken, vertelden ze dat ze het thuis niet breed hadden, ook nog ver van school woonden maar dat stuk niet konden fietsen omdat het geld ontbrak voor de aanschaf van (de toen verplichte) belastingplaatjes.

Moeder had gezegd dat ze maar flink veel bosbessen moesten gaan plukken, omdat van de opbrengst dan de plaatjes konden worden gekocht. "Dan moet ik jullie maar wat helpen", zei de wandelaar. Hij plukt een poosje ijverig mee, en vroeg langs zijn neus weg hoe de kinderen heetten en waar ze woonden. Een paar dagen later kwam een paleisbediende bij de moeder van het trio drie fietsplaatjes brengen. "Met de hartelijke groeten van de prins".

Een andere keer was de prins op pad met zijn jagermeester Brantsma, toen diens dochtertje hen tegemoet kwam. Hendrik begon een praatje met het kind, dat telkens keurig Koninklijke Hoogheid probeerde te zeggen maar voortdurend over die woorden struikelde. Het meisje kreeg tenslotte een kleur en deed er verlegen het zwijgen aan toe. Waarop de prins haar lachend op de wang tikte en bemoedihend zei: "Zeg jij maar gewoon Kromme Hoogheid tegen me, da's veel makkelijker..."


Hoe goed Hendrik met kinderen kon opschieten, als rechtgeaard vader vond hij zijn eigen dochtertje van al die kinderen het aardigste. Uren achtereen kon hij opgaan in de spelletjes en de fantasieën van "de kleine", zoals hij prinses Juliana bij voorkeur noemde. De verhouding tussen vader en dochter is altijd uitstekend geweest.

De prinses adoreerde "papa" en de twee waren bijzonder vaak in elkaars gezelschap te vinden. De omgang met zijn kind herinnerde Hendrik ongetwijfeld aan zijn eigen jeugd: op het slot Mecklenburg had hij een allergezelligst huiselijk leven gekend.

Met zijn twee broers en zijn zusje Elisabeth was hij er weliswaar streng opgevoed, maar de ouders hadden altijd alle tijd genomen om intensief met hun kinderen op te trekken. In Nederland miste de prins zo'n aangenaam huiselijk bestaan. Wilhelmina nam nooit de tijd voor een echt familieleven, ze vulde haar dagen en avonden met regeren, en ze vond dat ze het te druk had om Juliana veel aandacht te kunnen geven. Hendrik nam er wél de tijd voor om met het kind op te trekken.

Hij was lange tijd vrijwel onafscheidelijk van "de kleine" en er zijn reeksen oude familiefoto's die de twee bij hun samenzijn in beeld brengen: de prins met de vijftien maanden oude Juliana op schoot, de prins wandelend met zijn oogappel die trots haar nieuwste jurkje toont, de vierjarige "kleine" met vader in een hooimijt in het park van Het Loo, de prins met Juliana op de knie, haar urenlang voorlezend.

"Mijne Heren, ik ben overgelukkig", had een stralende Hendrik kort na de geboorte tegen de in spanning wachtende verslaggevers geroepen. En hij blééf gelukkig met deze dochter, die later een van de zeer weinigen in zijn directe omgeving was met een juist inzicht en zelfs veel begrip voor de moeilijke positie waarin hij verkeerde. Ook toen Juliana volwassen was bleef Hendrik haar zijn "kleine" noemen.

Ook later trok hij vaak met haar op; hij nam haar graag mee naar zijn bureau van het Rode Kruis aan de Haagse Prinsessegracht, en ze namen ook wel samen die punten uit de Koninklijke agenda voor hun rekening, die Wilhelmina te onbelangrijk of wat beneden haar waardigheid vond, zoals een visite bij een Hagenaar die zijn honderdste verjaardag vierde en door prins en prinses danig in de bloemetjes werd gezet.

Juliana heeft jaren na vaders overlijden haar moeder uitdrukkelijk gevraagd om in het boek "Eenzaam maar niet Alleen" in ieder geval "iets aardigs over papa te schrijven". En dat heeft Wilhelmina inderdaad gedaan. Prins Claus heeft zich één keer laten ontvallen wat prins Hendrik zich vele malen met spijt moet hebben gerealiseerd maar wat hij nooit uitte: de positie van prins-gemaal brengt een zekere kleurloosheid mee. Prinsen spreken altijd ongeveer dezelfde woorden bij of vlak na hun huwelijk.

Prins Hendrik zei, heel aandoenlijk: "Ik wil niet alleen trachten de Nederlandse taal te leren spreken, ik zal mij tevens oprecht beijveren om een goed en trouw Nederlander te worden".

En dat meende hij. Trouw en gehoorzaamheid waren hem met de paplepel ingegoten. Hij was "saai" en "dom" genoemd (door de gravin van Ahtlone, een nichtje van koningin-moeder Emma, in een brief aan haar grootmoeder koningin Victoria), maar Hendrik kon best bij menig toespraakje vrij geestig uit de hoek komen. Wat zijn trouw betreft: hij heeft Wilhelmina, die hem later toch vaak schamper bejegende, nooit tegenover buitenstaanders afgevallen. Integendeel.

"Hij hield haar steeds zeer hoog, was attent, charmant en volgzaam, en stak alleen in kleine kring weleens de draak met haar vaak opvlammende slechte humeur en haar eigenschap om over onbelangrijke details toch heel veel drukte te maken", aldus de herinnering van een hofdignitaris uit die dagen.

Hendriks karakter was heel wat soepeler. Hij was gemoedelijk en ruim van opvattingen. De koetsier die een foutje maakte bij het voorrijden kon bij Wilhelmina rekenen op een formidabele uitbrander, maar de prins zei bedachtzaam tegen een jonge stalknecht die een gloednieuwe jachtwagen tot splinters had gereden: "Ach, we maken allemaal weleens een foutje".

Hendrik was een joviale en goedmoedige figuur, áárdig, totaal géén scherpe intellectueel maar de naar gezelligheid hakende landjonker, een gul en gewoon mens, met een duidelijke afkeer van alles wat met het stijve hofprotocol had te maken en met een voorliefde voor de natuur en voor een veelheid aan eenvoudige aardse genoegens. Zo waren ze zeer tegengestelde polen, die elkaar ongetwijfeld hadden kunnen aantrekken én boeien. Het bleek een misrekening; het huwelijk werd voor geen van beiden een succes.

In tegendeel zelfs. Het bleek later een volstrekte mislukking en koningin Wilhelmina kon tenslotte slechts met heel veel moeite worden weerhouden van een officiële scheiding. In zijn tijd was het hofprotocol aanzienlijk strenger dan tegenwoordig. Eerst trok de Mecklenburgse hertog zich niet veel aan van al die plichtplegingen. Maar hij werd al snel door menige dignitaris delicaat tot de orde geroepen.


Zijn eenvoud, verdraagzaamheid en hartelijkheid strookten niettemin totaal niet met het archaïsche paleisritueel, en hij onttrok zich meestal listig aan het hofprotocol door de Veluwe bossen in te trekken of een reisje te gaan maken. Koningin Wilhelmina had daar trouwens snel vrede mee.

Ze wenste bij haar vorstelijke taken uitsluitend zelf haar boontjes te doppen en haar man kwam daar, ook al had hij dat gewild, totaal niet aan te pas. Ze stak er bovendien geen hand voor uit om haar jonge echtgenoot snel aan aan een passende en in ieder geval zinvolle functie te helpen.

En het was Hendriks eigen verdienste dat hij zich toch al snel nuttig wist te maken. Met veel kennis van zaken wijdde hij zijn aandacht aan de koninklijke domeinen op en rond Het Loo, die dringend verbetering behoefden. De nieuwe prins was niet alleen een perfect ruiter en goed jager. Hij bleek ook over opmerkelijke bosbouwkundige capaciteiten te beschikken. Kwaliteit en omvang van Het Loo moesten dringend worden vergroot en hij stelde zijn vrouw voor om de zogeheten markenbossen aan te kopen.

Het kostte meer dan tweehonderdduizend gulden, voor die tijd een enorm bedrag, om de noodzakelijk geachte uitbreiding tot stand te brengen en een verstandige, economische bosexploitatie mogelijk te maken. Het domein zou tenslotte meer dan tienduizend hectaren beslaan, en prins Hendrik kende praktisch elk plekje ervan.

Hij zorgde tevens voor een aanzienlijke verbetering van de wildstand, liet hertenakkers en voederplaatsen aanleggen en kreeg, wat iedereen had kunnen voorspellen, al snel (in de Kamer, in ingezonden stukken) de wind van voren wegens zijn passie voor het jagen op de herten, de wilde zwijnen, de gemzen en de wilde geiten, die dank zij zijn maatregelen - plus bloedvernieuwende import - beter op de domeinen gedijen dan ooit tevoren.

Overigens had Hendrik absoluut geen vrije hand om al die wijzigingen door te voeren. Wilhelmina hield de koorden van de beurs uiterst strak. Voor alles wat haar man wilde ondernemen moest hij vooraf haar toestemming krijgen. Dat voorschrift was niet helemaal ten onrechte, want de joviale prins had al snel de reputatie gekregen het geld heel gemakkelijk over de balk te gooien.

Later zou Wilhelmina zelfs twee waakhonden aanstellen - prinselijke adjudanten - die al zijn uitgaven nauwlettend dienden te controleren. Zelfs een bescheiden aankoop in deze of gene winkel moest worden gerapporteerd, dat schijnt nogal overdreven, maar de prins was in staat om ongemerkt en bliksemsnel indrukwekkende schulden te creëren.

Tenslotte werd er een waar cordon van toezichthouders om de prins gelegd. Het was hem niet toegestaan "onofficiële uitnodigingen" aan te nemen en het enige dat hem op den duur als vertier restte was naast de jacht het spelen van patience en het maken van legpuzzels. Geen wonder dat Hendrik tenslotte allerlei mogelijkheden te baat nam om het hem wat benauwende Nederland te ontvluchten.

Vaak was hij op zijn Duitse landgoed Dobbin te vinden, later zou hij zijn reisjes uitstrekken naar de Zwitserse bergen waar de gidsen de inmiddels vrij omvangrijk geworden prins de gletsjers moesten op-en afslepen. Royale diners en gezellige avonden in destijds fameuze herensociëteiten vormden eveneens een niet onbelangrijk deel van Hendriks genoegen. De jachtpartijen hadden inmiddels allengs meer kritiek ontmoet.

Ook bij de koningin, die zich vooral ergerde aan het in haar ogen bedenkelijk lage niveau van de door Hendrik geïnviteerde jachtgezelschappen en de uiterst gemeenzame wijze waarop haar man omging met de boswachters, de drijvers en de jachtopzieners. In de eerste jaren van haar huwelijk is de jonge koningin overigens bij menige jachtpartij een kijkje komen nemen.

En Hendrik en Wilhelmina verbleven in die tijd ook vaak op het in Mecklenburg gelegen landgoed van de prins, Dobbin, waar eveneens vaak gejaagd werd. Per traditie werd er dan ergens in het jachtterrein getafeld waarbij men zich niet alleen bepaalde tot de erwtensoep met worst en kluif, zoals die op Het Loo aan de drijvers werd voorgezet.

Bij een van die indrukwekkende jachtmaaltijden in het veld bleek dat er twee soorten serviesgoed en bestek waren meegegeven: fraai eetgerei voor de heren jagers en wat steengoed met stalen lepels en vorken voor het personeel. Hendrik liet de collectie meteen terugsturen en beval, dat er zowel voor de gasten als voor de drijvers precies dezelfde spullen moesten komen. Het gebaar was typerend voor Hendriks karakter, maar koningin Wilhelmina vond dit soort democratische poespas onzinnig en belachelijk.

Niemand moest het trouwens wagen om tegen haar ongevraagd een mond open te doen. Tegen Hendrik daarentegen praatte iedereen vrij uit. De prins kende niet alleen zijn bossen goed, maar ook de mensen die er woonden en werken. De sanering van het bosbezit was ook in hun voordeel. Uitgestrekte heidevelden rond Het Loo werden bemest en bebost, de arbeiders kregen door bemiddeling van de prins een loonsverhoging, en werkloze Belgische vluchtelingen werden (in de Eerste Wereldoorlog) ingezet bij de aanleg van grindwegen in de domeinen.

De jachtopzieners kregen betere instructies (en schietcursussen) van een Duitse jagermeester die de prins voor dat doel uit Mecklenburg had laten overkomen. Uit die tijd dateren enkele niet onaardige anecdotes, die in en rond Apeldoorn nog lang onderweg van gesprek bleven en bijzonder kenmerkend voor de prins werden gevonden. Een van die verhalen ging over Hendriks lievelingsdieren, een stel takshonden dat door een jagermeester werd verzorgd.

Op een middag bleek een van de honden te zijn verdwenen. De prins dacht er niet over om zonder zijn hond naar het paleis terug te keren. Hardnekkig bleef hij die middag en avond in de bossen rondspeuren, totdat de invallende duisternis verder zoeken onmogelijk maakte. Hij klopte aan bij de woning van een bosarbeider, wachtte er in een stoel de ochtendschemering af en ging wederom op pad. Na een uurtje had hij succes.


Jagen was een van de hartstochten van prins Hendrik

De prins leverde de taks heelhuids af bij zijn jagermeester, ging naar het paleis - en naar bed. Wilhelmina zou zich pas veel later realiseren dat Hendrik, ondanks alle "fouten van zijn bescheiden kwaliteiten", toch vrij geliefd was. Hij was niet waanzinnig populair (dat was koningin Wilhelmina trouwens in die jaren ook niet), maar hij werd wél gewaardeerd om zijn warme menselijkheid, zijn afkeer van alles wat naar "kouwe kak" zweemde en zijn ongeveinsde belangstelling voor het wel en wee van de gewone man.

Toen hij hoorde dat een tijdelijk bij het Rode Kruis te werk gestelde magazijnknecht een weekloontje had van tien gulden, gaf hij als commentaar: "Zo maak je van de mensen dieven" en hij zorgde voor een fikse verhoging. Hij zag er geen kwaad in om met het bospersoneel uit één veldfles te drinken, en hij zorgde bij hun trouwen onveranderlijk voor een aardig cadeau - meestal een bankstel - en een loonsverhoging. "De Rooie" en ook wel "Varkensheintje" werd hij met goedmoedige spot genoemd.

Wanneer iemand van het personeel een blunder had begaan, reageerde hij nimmer kwaad of emotioneel, maar hij zei bedaard: "Drommels, dát is me wat. Hoe zullen we dit eens oplossen...?" Prins Hendrik, een man met wat fouten, maar ook veel te naïef om een vaak tegen hem samenspannende hofkliek partij te kunnen geven.

In de Eerste Wereldoorlog had Wilhelmina angstvallig een volstrekte neutraliteit gehandhaafd, en de fel pro-Duitse Hendrik met zijn veelheid aan Duitse connecties was er door haar herhaaldelijk - en vinnig - aan herinnerd dat hij een voortdurend gevaar vormde voor die neutraliteit. Zij inspecteerde de strijdkrachten en hield zich met de mobilisatie bezig, hij diende zich overal buiten te houden en mocht zich, behalve met de paarden en de puzzels, hoogstens bemoeien met het Rode Kruis, waar hij sinds 1908 voorzitter was van het hoofdbestuur.

Juist die Rode Kruis-activiteiten zouden al in het begin van de Eerste Wereldoorlog tot een diepe breuk tussen de vorstelijke echtlieden leiden. Tijdens een inspectietochtje in Limburg langs de grenzen was Hendrik op eigen houtje een stukje België ingetrokken om er naar de Duitse opmars te kijken. Het uitstapje was prompt overgebriefd aan de koningin die de klikkende boodschapper niet ontsloeg - wat een briesende Hendrik had geëist - maar hem integendeel beloonde door hem tot haar adjudant te benoemen.

De prins voelde zich tot in het diepst van zijn ziel beledigd. Hij had het toen al moeilijk genoeg gehad met de allengs groter geworden kribbigheid en de beruchte luimen en grillen van zijn vrouw, en hij had steeds meer het gevoel gekregen dat hij voor haar niet veel anders was gaan betekenen dan het bekende vijfde wiel aan de wagen. Of dat nu terecht was of niet, de prins vond zich allengs meer "unerwünscht" en hij koos de weg van de minste weerstand: wég zijn, op reis gaan.

Het waren vooral die reisjes van Hendrik die schatten gingen verslinden. Voortdurend zocht hij afwisseling en steeds opnieuw ging hij er maar weer op uit om de voor hem beklemmende sfeer in de Nederlandse paleizen, de konkelende hofdignitarissen en de allengs bitser wordende koningin te ontlopen. "We gaan weer terug naar de hel", mompelde hij flegmatiek én zeer duidelijk hoorbaar toen hij zich na een langdurig en uitvoerig bezoek aan Spanje (1924) inscheepte voor de thuisreis.

Dat bezoek aan Spanje was een uitstapje van meer dan een maand geworden, met een forse ouverture in de woelige havenstad Marseille waar de prins met volle teugen had genoten van een als platvloers omschreven revue en het nachtleven. In Spanje bestond zijn verblijf uit een aaneenschakeling van bezoeken aan festiviteiten, stieregevechten, schouwburgen en bruisende party's waar hij kwistig met de huisorde van Oranje-Nassau rondstrooide.

Elke avond werd het een latertje, de prins zag zijn bed niet eerder dan een uur of vier in de ochtend, en het werd nog later toen hij zich aan de roulettetafel in San Sebastian zette (en er bijzonder fors verloor). Hendrik maakte tijdens en na de Eerste Wereldoorlog reeksen reisjes naar Zwitserland waar hij ontmoetingen had met Duitse familieleden en ook wel met hem uit Nederland nagereisde vriendinnen.

Eenmaal terug in Den Haag zag hij zich gewikkeld in daverende ruzies met de koningin, die hem als straf voor zijn misdragingen weer eens een paar maanden naar Het Loo verbande, of die hem lange tijd volkomen negeerde. Het hof kende de soms belachelijke en eigenaardige consequenties van die situatie: de ene huwelijkspartner was absoluut niet op de hoogte van de voornemens en de dagindeling van de ander.

Dreigde er een ontmoeting tussen de twee op de gangen van het paleis dan trok een van beiden - en meestal was dat Hendrik - zich schietelijk in een zijdeur terug. Bij een onverwachte confrontatie van de echtgenoten in de koninklijke wachtkamer van de Staatsspoor in Den Haag bleek dat beiden die dag (14 januari 1915) naar Den Bosch moesten. Zij reisde per koninklijke trein. Hij nam plaats in de gereserveerde coupé van de gewone sneltrein die een paar minuten later vertrok.

Zo leefden ze ettelijke jaren lang volkomen langs elkaar heen. Maar soms was de verhouding ineens weer goed en zij noemde hem dan, korte tijd, heel vertederend haar "allerliefste mannie". Achteraf bleek dat Hendrik in heel wat opzichten niet alleen "aardig" is geweest, maar eenzaam én alleen, en toch ook moedig en trouw. In 1907 was er een prentbrief verschenen met de jubelende tekst:


Deze kaart werd uitgeschreven na de ramp met de Harwichboot "Berlin",
toen prins Hendrik tijdens de storm vanaf een loodsboot de reddingsoperatie
volgde en de slachtoffers persoonlijk hielp.

"Aan onzen Prins. Het volk heeft Uw hart gezien". En: "Hulde aan de Redders".

Een van die redders was Hendrik geweest. De kaart, met een portret van de prins en daar rondom een ziedende zee, was een herinnering aan de toen recente ramp van de Harwichboot "Berlin" die op de 21-ste februari van dat jaar in een vliegende sneeuwstorm op de noorderpier in Hoek van Holland te pletter was geslagen. Het schip was doormidden gebroken waarna het voorste deel van de romp onmiddellijk in de golven was verdwenen.

Vele tientallen passagiers waren daarbij verdronken, maar op het nog tegen de pier beukende achterschip bevonden zich nog een handjevol overlevenden. De reddingboot, de loodsboot en enkele sleepboten slaagden er echter eerst niet in het wrak te benaderen. Voortdurend dreigden de redders zelf op het basalt van de pier te worden geworpen. De prins die met een auto van een vriend naar Hoek van Holland was getogen had de schipper van de reddingboot gevraagd: "Mag ik mee?"

Maar de man, op het punt om uit te varen voor een hernieuwde reddingspoging, had het verzoek afgeweerd: "Die verantwoordelijkheid durf ik niet aan, Koninklijke Hoogheid", had hij geantwoord. Hendrik wist wat hem te doen stond. Hij liep naar de eveneens op uitvaren staande loodsboot "Hellevoetsluis" die de reddingboot moest volgen.

Hier was de schipper wel verplicht om hem aan boord te nemen: Het loodswezen valt onder de Koninklijke Marine en het bevel van een schout-bij-nacht (een van Hendrik's rangen) kon niet in de wind worden geslagen. Ook de prins voer nu dus uit. En deze tweede reddingsactie slaagde. Een dozijn schipbreukelingen kon van het wrak worden gehaald.

En in opdracht van de prins, die op de wild steigerende loodsboot alles nauwlettend had gevolgd, werden de twaalf snel aan boord van de "Hellevoetsluis" gebracht waar een onmiddellijke verzorging mogelijk was. Hendrik hielp de verkleumde, huilende en wartaal uitslaande slachtoffers ontkleden, wikkelde ze in dekens, droeg koffie en cognac aan, ging rond met een schaal vol brood.

Aan de steiger in de Berghaven wachtten al de ambulances met artsen en verpleegsters. En tussen de derde en de vierde geredde ging een druipnatte prins over de loopplank. De omstanders hieven een hoeraatje aan, en Hendrik wuifde lachend terug.

"Hij heeft een voorbeeld gesteld van onverslapte toewijding, persoonlijke moed en tedere sympathie", schreven de kranten, "Een openbaring van hoge eigenschappen die een welverdiende populariteit vestigden..."

Zo belangstellend als deze prins Hendrik altijd bij anderen informeerde naar hun wel en wee, zo afwerend deed hij wanneer er geïnformeerd werd naar de kwaal die hem veel pijn en zorgen gaf. Hij werd al jaren gekweld door reuma en volgde menige bad - en modderkuur om enige verlichting van die aandoening te krijgen. Hendrik was ooit een uitstekend ruiter geweest, maar de reumatische klachten hadden hem genoopt het rijden op te geven.

In 1924 verergerde zijn toestand zich nog, hij moest herhaaldelijk het bed houden en dat bleek de nog altijd rusteloze prins bijzonder prikkelbaar te maken. Er werden Duitse reumaspecialisten naar Nederland gehaald, die weken achtereen bij hun patiënt op Het Loo logeerden, en de hofarts haalde Hendrik ertoe over een behandeling met mierenzuur te volgen.

Later raakte de prins in de ban van een geheel andere genezer: een wijsgerig heer die zich Bo yin Ra noemde, en in Zwitserland een aantal volgelingen om zich heen had verzameld die zich vastklampten aan zijn wonderlijke verhalen over planeten met hogere levensvormen en zich tevens liet voorstaan op het verrichten van even wonderlijke genezingen. Prins Hendrik was er van overtuigd dat deze profeet hem verlichting van zijn pijnen bracht.

Maar koningin Wilhelmina gruwde van de geëxalteerde reacties van haar man, die opgetogen rondvertelde dat deze "oosterse mysticus" de nieuwe Meester naast Christus moest zijn. Ze verbood verdere contacten met de in Zürich residerende Bo yin Ra, en Hendrik gehoorzaamde opnieuw, zij het nu op één voorwaarde: dat zijn begrafenis ooit, zoals de Meester dat hem had bevolen, geheel in het wit zou gebeuren. De koningin heeft die wens later volledig gerespecteerd.


Witte rouw bij de uitvaart van prins Hendrik

Het was lente 1934 toen de prins opnieuw een reumakuur onderging. Ditmaal in Bad Gastein. Hij keerde sterk vermagerd terug, maar trok al spoedig opgewekt een heel actief aan het werk. Op 28 juni zat hij, zoals gewoonlijk, al vroeg achter zijn bureau in het hoofdkwartier van het Rode Kruis. Om tien uur werd hij daar getroffen door zware hartkrampen. Later die dag kon de prins worden vervoerd naar het paleis Noordeind, waar inmiddels een ziekenkamer was ingericht.

Zijn toestand scheen vrij snel wat te verbeteren, en niemand maakte zich bijzonder ongerust over de ongedurige man in het grote paleis, waar Hendrik die laatste dagen van zijn leven even alleen was als hij al zo lang was geweest. De koningin had haar intrek op Huis ten Bosch genomen, en de overkomst van de in Engeland logerende prinses Juliana werd niet nodig geoordeeld. Op 3 juli gebruikte de prins in de ziekenkamer samen met zijn arts de lunch.

Kort daarop kreeg hij een nieuwe en nu dodelijke hartaanval. Voordat de ijlings gewaarschuwde koningin arriveerde was hij gestorven. Ze reageerde uiterst beheerst. Ze liet haar man kleden in zijn admiraalsuniform en deed hem zijn ringen af. De volgende dag zou de overhaast naar Nederland teruggekeerde prinses Juliana die ringen weer terugschuiven aan zijn vingers.

Op 11 juli 1934 vindt de uitvaart plaats. Het is een snikhete zomerdag en het zonlicht reflecteert verblindend helder van het witte floers, de witte struispluimen en de zilveren kronen op de lijkkoets.

"We zijn dankbaar en ontroerd dat hij zich door zijn goede hart, zijn vriendelijkheid en eenvoudige inborst zo veel vrienden heeft gemaakt", zegt de koningin een paar dagen later in een radiotoespraak. Verder zou ze zwijgen over Hendrik. Want, had ze in kleine kring gezegd, "W zijn flinke mensen, die niet gaan jammeren".



| Koninkrijken | Nederland | Biografie | Fotoalbum | Video |


terug naar boven