![]() (1926-2002) |
Hij was de echtgenoot van Koningin Beatrix sinds 10 maart 1966. Het huwelijk deed toentertijd veel stof opwaaien omdat hij de Duitse nationaliteit had. De prins werd geboren in een Duitse familie van lage adel. Zijn vader, Klaus Felix von Amsberg (het 'von' is voor zijn huwelijk officieel vernederlandst in 'van'), was sinds 1917 rentmeester op het landgoed, na een mislukt avontuur als planter in Afrika. Hij trouwde met Gosta barones von dem Bussche-Haddenhausen, de jongste dochter van de barones die de scepter zwaaide over Dötzingen. In 1928 vertrok vader von Amsberg met zijn gezin naar Tanganyika (later omgedoopt tot Tanzania), waar hij bedrijfsleider werd van een Duits-Engelse koffie- en sisalplantage. Prins Claus bracht een kleine tien jaar van zijn jeugd in Tanzania door en typeerde later die jaren als bijzonder gelukkig.
In 1933 stuurde zijn moeder hem, evenals zijn zusjes, naar familie aan de Duitse Oostzeekust. Hij had het daar echter niet naar zijn zin en in 1936 werd hij op een Duitse kostschool in de Afrikaanse kolonie geplaatst. Daar werd hij verplicht lid van de Hitlerjugend. In 1938 vertrok zijn moeder opnieuw met Claus naar Duitsland, waar Hitler ondertussen stevig in het zadel zat. Hij ging naar Die Baltenschule in Misdroy in Pommeren, waar hij een vreemde eend in de bijt bleef en er al gauw uit lag bij zijn mede-scholieren. Hij vertrok naar zijn grootmoeder in Bad Doberan en vervolgde zijn schoolopleiding op het plaatselijke gymnasium. Net als alle Duitse scholieren was hij ook hier automatisch lid van de Hitlerjugend en das Jungvolk. In 1943, op zestienjarige leeftijd, moest hij in dienst en werd ingedeeld bij de Reichsarbeitsdienst, om in Köningsberg op een vliegveld te werken.
Na een oefenstage in Denemarken werd hij naar het front in Italië gestuurd, waar hij bij de 90e (reserve)pantserdivisie werd ingedeeld. Begin mei 1945 maakten de Amerikanen hem bij zijn allereerste actie aan het front krijgsgevangen en interneerden hem in een kamp, waar hij fungeerde als tolk en chauffeur. Kerst 1945 was hij weer terug in Duitsland en ging wonen in Hitzacker. Zijn ouders, die in Afrika vastgehouden werden, zag hij pas terug in 1947. Ondertussen maakte Claus zijn middelbare schoolopleiding af. Voordat hij zich bij een universiteit mocht aanmelden werd zijn oorlogsverleden onderzocht door een soort zuiveringscommissie, die hem boven elke verdenking stelde. Omdat hij werd uitgeloot voor de opleiding werktuigbouwkunde besloot hij rechten te gaan studeren in Hamburg, waar hij als werkstudent allerlei baantjes had. In 1952 studeerde hij af.
In 1953 overleed zijn vader. Na een stage in de Verenigde Staten en een korte periode op een advocatenkantoor, waar hij zich bezig hield met het rechtsherstel van joodse Duitsers, koos hij een heel nieuwe richting: de diplomatie. Op 1 april 1957 werd hij na een geslaagde selectietest employee op het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1958 slaagde hij voor het examen voor attaché. De eerste buitenlandse diplomatieke baan van Prins Claus was die van derde ambassadesecretaris in de Dominicaanse Republiek. Daar rapporteerde hij onder meer over de procesgang van vermeende tegenstanders van het toendertijd dictatoriale regime van dat land. Hij werd er bevorderd tot tweede secretaris, maar bleef ook lonken naar een post in Afrika. In 1961 werd hij tweede ambassadesecretaris en ook eerste medewerker van de ambassadeur in Ivoorkust.
Op oudjaarsavond 1962 ontmoette hij de Nederlandse kroonprinses voor het eerst op een feestje bij vrienden in Bad Driburg. Anderhalf jaar later volgde een tweede en derde ontmoeting, rond het huwelijk van prinses Tatjana zu Sayn-Wittgenstein en prins Maurits von Hessen. In 1963 keerde Claus naar Duitsland terug om in Bonn te werken op het ministerie van Buitenlandse Zaken, sectie Economische Betrekkingen met Afrika ten zuiden van de Sahara. Verschillende ontmoetingen eind 1964 en begin 1965, waarbij prins Richard zu Sayn-Wittgenstein als rookgordijn fungeerde, verstevigden de relatie tussen Claus en Beatrix. Op 1 mei 1965 betrapte fotograaf John de Rooy de twee ongezien, toen ze 'innig gearmd' in de tuin van kasteel Drakensteyn wandelden; de foto verscheen op 6 mei in de Britse Daily Express en daarna in de Nederlandse kranten.
Nadat de pers zijn identiteit had achterhaald - Claus woonde toen in Bad Godesberg - was het stel gedwongen een overhaaste beslissing te nemen. Op 28 juni maakten zij hun verloving op de televisie bekend. Het feit dat Claus een Duitser was, die bovendien lid was geweest van de Hitlerjugend en in de Wehrmacht had gediend, zorgde voor veel commotie bij een deel van de Nederlandse bevolking; twintig jaar na de bezetting lag dit nog zeer gevoelig. De Tweede Kamer debatteerde lang en heftig over de zaak en pas nadat de bekende historicus Lou de Jong in Italië had vastgesteld dat Claus geen enkele oorlogsmisdaad te verwijten viel en dat er geen spoor van antisemitisme te ontdekken was in Claus' persoonlijke geschiedenis, gaven de fractievoorzitters in het parlement aan dat een wetsvoorstel voor het huwelijk een meerderheid zou halen.
Op 10 december 1965 kreeg Claus een Nederlands paspoort en op 16 februari werd zijn achternaam officieel veranderd in 'van Amsberg'. Op 10 maart 1966 traden Beatrix en Claus in het huwelijk, waarbij hij de titels Prins der Nederlanden en Jonkheer van Amsberg kreeg. De feestelijkheden, die plaatsvonden in Amsterdam, waar krakers en de Provobeweging zich al tijden roerden, werden verstoord door diverse relletjes en een rookbom. Prins Claus bleef zijn hele leven bijzonder geboeid door Afrika. Daar zijn publieke functie in Nederland niet gepaard kon gaan met een ambitieuze carričre heeft het lang geleken dat hij in de schaduw van zijn vrouw stond. In 1970 werd Claus benoemd tot voorzitter van de Nationale Commissie voor Ontwikkelingsstrategie, een soort p.r.orgaan voor het ontwikkelingsbeleid van de regering.
Een aantal aanbevelingen van die commissie, zoals een kleine subsidie aan het Angola Comité, dat streed voor een onafhankelijk Angola en een koffieboycot organiseerde om het toenmalige regime van de Portugese kolonie dwars te zitten, bleek de prins in een compromitterende (want politiek omstreden) rol te plaatsen. Daarom kreeg hij functies die minder gevoelig werden geacht: die van voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers en bijzonder adviseur van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Maar ook in die functies voelde Claus zich heel beperkt: zijn persoonlijke mening moest hij grotendeels inslikken, waardoor hij kleurlozer overkwam dan hij in feite was; bovendien kon hij door zijn positie niet voortvarend te werk gaan. Toch wist hij door diplomatiek optreden, en ook door de vele lezingen die hij gaf over ontwikkelingssamenwerking, sommige van zijn ideeën wel terdege over te brengen.
Zo veranderde mede door zijn invloed de basisvisie op ontwikkelingswerk: in plaats van landen in de Derde Wereld te helpen, moeten wij hen leren zichzelf te helpen. Toen in 1980 Beatrix koningin werd en de familie in 1981 van Drakensteyn bij Baarn naar Den Haag verhuisde, nam de druk op het koninklijk gezin toe en werd ook het leven van prins Claus zwaarder. Hij kreeg als Prins der Nederlanden meer ceremonieële taken en scheen te lijden onder het gebrek aan echt inhoudelijk werk. In 1982 werd de prins opgenomen in het Nijmeegse Radboudziekenhuis. De RVD verklaarde zijn ziekte als: 'klachten van depressieve aard'. Het duurde enkele jaren voordat hij zijn ziekte had overwonnen. Ook de Nederlandse regering zag toen in dat men de kwaliteiten van de prins beter moest benutten. In 1984 werd hij benoemd tot inspecteur-generaal Ontwikkelingssamenwerking, een functie waarin hij veel landen moest bezoeken.
Verder werd hij benoemd tot lid van de Raad van Commissarissen van de Nederlandse Bank en van de PTT, en voorzitter van het Export Platform Verkeer en Waterstaat. Ook was de erudiete prins lid van de stichting Biowetenschappen en Maatschappij. Desondanks bleef zijn slagkracht beperkt vanwege zijn positie als lid van het Koninklijk Huis. In 1991 keerden niet alleen zijn depressies terug, maar werd ook de ziekte van Parkinson geconstateerd. Hij zou hierdoor en door de medicatie altijd een stramme motoriek houden. In 1996 stelde de regering ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag het Prins Claus Fonds in. Het fonds keert geldbedragen uit ter ondersteuning van cultuur en ontwikkeling in Derde Wereldlanden. In datzelfde jaar overleed de moeder van de prins. De laatste jaren van zijn leven beleefde prins Claus periodes van ziekte, afgewisseld met oplevingen en actieve periodes.
In 1998 onderging hij een geslaagde operatie wegens kanker aan de prostaat, maar de bestralingen zorgden in 2000 voor urinewegproblemen. In 2001 werd een nier verwijderd en kreeg hij problemen met de andere nier. Op 2 februari 2002 lukte het hem wel het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima bij te wonen. Luchtweginfecties hielden hem dat voorjaar echter wekenlang in het ziekenhuis. Op 8 juni werd zijn eerste kleinkind geboren, Eloise, de dochter van Prins Constantijn en Laurentien. Op 9 augustus werd een pacemaker geplaatst. De gevolgen van de ziekte van Parkinson en longontsteking waren uiteindelijk de oorzaak van zijn overlijden. De prins bleef in de ogen van het grote publiek heel lang een aardige, maar wat treurige en kwetsbare schaduwfiguur naast Beatrix.
Zeker toen in de jaren negentig de pers zijn ziektes nogal schreeuwerig uitvergrootte werd dit beeld versterkt. De laatste jaren wist hij dit beeld echter danig bij te stellen. Door zijn warme betrokkenheid bij het wel en wee van ontwikkelingslanden, zijn openhartige interviews, zijn juridische gevechten tegen onjuiste publicaties in roddelbladen en zijn ludieke, humorvolle acties als protest tegen het strakke keurslijf heeft hij nog vele Nederlanders in hun hart geraakt. Hij eindigde als een van de meest populaire leden van het Nederlandse koningshuis.
Prins Claus werd op dinsdag 15 oktober 2002 na een plechtige uitvaart bijgezet in de grafkelder van de koninklijke familie onder de Nieuwe Kerk te Delft. Hij heeft bij velen in de herinnering het beeld achtergelaten van een stijlvolle en bijzonder integere man.
