![]() Plein 23: Een groot gebouw, opgetrokken in statige barokstijl. Het is het vroegere logement van de Stad Amsterdam, destijds een luxueuze ambtswoning, bestemd om de gedeputeerden van de hoofdstad ter Statenvergadering een waardig onderkomen in Den Haag te bieden. Waarmee ze overigens tevens werden weerhouden van een rondgang langs dubieuze Haagse kroegen waar ze al te gemakkelijk in opspraak konden worden gebracht. Op kosten van Amsterdam werden de afgevaardigden in hun eigen logement voortreffelijk verzorgd in een geheel Amsterdamse huishouding: de kastelein die hier de touwtjes in handen hield stond onder streng toezicht van de "Mevrouwen van de Huyshouding", en dat waren de echtgenotes van de vier Amsterdamse burgemeesters, dames die zich herhaaldelijk per stadsjacht naar de residentie spoeden om het reilen en zeilen van het logement aan een controle te onderwerpen. De eerste vorstelijke bewoonster van dit pand werd Wilhelmina van Pruisen, de moeder van koning Willem I en ook de felle doorzetster, die het bij Goejanverwellesluis (1787) aan de stok kreeg met patriottische lieden die haar -ze was op weg naar Den Haag om het volksverzet tegen de patriotten aan te wakkeren - de doortocht wisten te beletten en die ze zich volgens de overlevering met haar paraplu fervent van het lijf wist te houden. Op 10 januari 1814 arriveerde ze tenslotte tóch met haar dochter Louise in Den Haag. De twee douariéres logeerden eerst korte tijd in het Huis van Hope, betrokken Welgelegen in Haarlem als zomerverblijf en lieten vervolgens het paleis aan het Plein als winterresidentie inrichten. Het zal de dames ongetwijfeld veel genoegen hebben gedaan om juist hier hun tenten op te slaan: in het pand dat ooit werd gebruikt door regenten die zich het felst tegen het stadhouderschap hadden gekeerd. Zomer 1839 kwamen er - het paleis was na de dood van de twee vrouwen nog slechts zelden gebruikt - nieuwe vorstelijke bewoners naar het Plein: erfprins Willem (de latere koning Willem III) en zijn jonge bruid prinses Sophie van Wurtemberg. Twee zoons werden er geboren, Willem in 1840 en in 1843 Maurits. In 1849 volgde de prins zijn vader op als souverein vorst en het gezin vertrok naar het paleis Noordeinde. Zes dagen feest in Berlijn. Acht dagen feest in Brussel. In het paleis te Laeken geeft koning Willem I een bal voor zeshonderd genodigden. Een galakoets, bespannen met zes paarden, voert een gelukkig bruidspaar door de stad: prins Frederik, 's konings tweede zoon en inmiddels achtentwintig. En de piepjonge Louise van Pruisen, nauwelijks zeventien. Van jongsaf aan was ze al de kleine hartsvriendin van haar veel oudere neef geweest. Dertien was ze toen de twee zich met elkaar wilden verloven, maar de wederzijdse families hadden daar een stokje voor gestoken. Nu was het eindelijk zo ver: de prins had nog een langestudiereis gemaakt door Zwitserland, Italië en Frankrijk, en bij zijn terugkomst was meteen de huwelijksdatum vastgesteld, 21 mei 1825. Het paar ging voorlopig wonen aan de Brusselse Place Royale. In Den Haag kon het beschikken over het Huis aan het Plein waar eerst prinses Willemijn nog had gewoond. Maar koning Willem I wilde zijn zoon zo snel mogelijk een passende woning schenken. Hij kocht een fikse lap grond aan het Korte Voorhout en liet er voor f 134.000,- een fors paleis neerzetten. Sommige critici noemden de nieuwe Oranjewoning "een log en smakeloos pand", volgens andere tijdgenoten was er sprake van "een gevel met een stijf voorkomen, en eigentlijk meer het aanzien hebbende van een fabrieksmatige inrigting". Met toestemming van de hofmaarschalk van de prins mocht het publiek ook het interieur bezichtigen. Waarna de een smalend sprak van een "ondoelmatig en bekrompen huis", een ander de vertrekken "bijzonder klein" vond maar de balzaal en de wintertuin toch wel aantrekkelijk. De koning was tijdens de bouw geregeld komen kijken. En één keer ontsnapte hij daarbij aan een ongeluk: onverwacht zakte hij door de vloer van de balzaal en hij kon zich van een grandioze smak redden door zich ijlings vast te klampen aan een der balken. Het vrij grote paleis (52 vensters alleen al in de voorgevel) had als dependance "Het Huis aan de Boschkant". Er werd personeel in gehuisvest, het deed dienst als opslagplaats en het werd jaren achtereen stevig verwaarloosd, totdat prins Frederik er een nieuwe bestemming voor vond: na het huwelijk van zijn dochter Marie met de vorst Willem von Wied liet hij het opknappen en inrichten als gastenverblijf voor zijn Duitse familieleden. Gevolg was dat het bijgebouw een nieuwe naam kreeg. Het werd voortaan het Nieuwe Paleis genoemd, en ook wel het paleis van Wied. Tussen het verbouwde hoekhuis en het paleis van Frederik werd nog een dertig meter lange gang aangelegd met beelden van de vroegere stadhouders en schilderijen. De verbouwing vond plaats in 1876. Maar de twee paleizen zouden niet lang meer gebruikt worden. In 1881 stierf prins Frederik. De familie uit Duitsland logeerde nog maar zeer zelden in dit paleis (Marie verbleef liever op het door haar geërfde Wassenaarse buitengoed de Pauw) en de huizen raakten snel in verval. In 1900 werd het paleis van Frederik aangekocht door de staat die er het gerechtshof en de arrondissementsrechtbank vestigde. En Marie verkocht haar "Paleis van Wied" in 1909 aan een verzekeringsmaatschappij. Haar meubels en schilderijen liet ze overbrengen naar Duitsland. De paleizen zijn inmiddels voorgoed van de aardbodem verdwenen. Het bombardement van 3 maart 1945 op het Haagse Bezuidenhout liet ook hier slechts een rokende ruïne achter. Bezit is zeer vergankelijk. |
