![]() In 1674 zoekt een hartstochtelijke jager zich een jachtterrein, en op 26 april van dat jaar wordt de koopakte getekend voor een hofstede, gelegen aan "Soestdijck". Het is een vrijwel onbewoond gebied, heel Nederland zal toen nog nauwelijks drie miljoen inwoners hebben geteld. De nieuwe eigenaar: stadhouder prins Willem III. De Staten van Utrecht willen graag het hunne bijdragen aan de wildbaan van deze belangrijke jager door "Sijne Hoogheyt eeuwich ende erffelyck te defereren de heerlickheden van Zoest, Baarn, Ter-Eem, Emmenes..." Bij een wildbaan hoort een jachtslot. De prins laat er zich een bouwen: het huidige paleis Soestdijk, maar dan zonder de zijvleugels. Wel met stallen en koetshuizen en gebouwen voor de bedienden, met siertuinen en parken plus wat bosaanleg. Kosten: 200.000 (goud) ponden. Een kostelijk bezit, maar Willem III heeft er nauwelijks enig genoegen aan beleefd. Hij is slechts zeer zelden op Soestdijk geweest; hij had meer belangstelling voor een nog fraaier lustslot dat hij had laten bouwen, Het Loo. In de Franse tijd werd Soestdijk staatseigendom. En het paleis werd een (druk bezocht) logement nadat eerst het prinselijke meubilair voor een deel verkocht en voor een ander deel gestolen was. Al snel - 1806 - kreeg paleis Soestdijk echter geregeld vorstelijk bezoek: Van koning Lodewijk Napoleon, die het hier heel wat aangenamer vond dan in zijn Amsterdamse stadspaleis. Hij liet het huis grondig opknappen en bracht heel wat tijd door in wat hij zijn "kasteel Soestdijk" noemde. Het Franse bewind duurt kort. En een dankbare natie schenkt dat Soestdijk in 1815 aan prins Willem van Oranje (de latere koning Willem II) als huldeblijk voor zijn onverschrokkenheid in de slag bij Waterloo en zijn overwinning bij Quatre-Bras. Het wordt het geliefkoosde zomerverblijf van de prins. Soestdijk wordt opnieuw grondig opgeknapt en sterk uitgebreid: de lange gebogen vleugels werden aan het hoofdgebouw toegevoegd, de zaak werd wit gepleisterd, er kwam een attiek (dakverdieping) op het hoofdgebouw en dat dak verscheen een eigenaardige toevoeging, een open paviljoen. In 1818 hield prins Willem met zijn vrouw en zijn pasgeboren eersteling zijn intocht op Soestdijk. De Russische prinses was gewend aan de schittering van vorstelijke luxe plus bijbehorende indrukwekkende paleizen en Soestdijk hoewel in haar ogen een bescheiden oprekje, kon toch wel haar goedkeuring wegdragen doordat ze het een grappig miniatuur vond van het grote paleis van tsaar Paul bij St. Petersburg. Nog steeds zijn er op Soestdijk gebruiksvoorwerpen die herinneren aan de aanwezigheid van Anna Paulowna. De prinses was altijd zeer gesteld op haar vorstelijk waardigheid. Maar in haar gezin was ze een zorgende moeder. De kinderen moeten op Soestdijk een heerlijke jeugd gehad hebben. Onder toezicht van vader, de held van Waterloo, mochten ze met kleine kanonnetjes op schijven schieten. Hij gaf hun trouwens ook zelf het godsdienstonderwijs (negen uur per week). Wie zijn lessen niet kende of hoe dan ook straf had verdiend moest "de pet zonder rode rand" dragen. En dat betekende dat de schildwachten de anders aan het kind verschuldigde eerbewijzen achterwege lieten. Hendrik, de jongste zoon, werd bestemd voor de zeedienst en zou al op zijn twaalfde jaar gaan varen. Géén jager dus zoals zijn voorvader, maar hij kreeg op het Soestdijkse domein toch een eigen jachthuisje, dat later door zijn moeder Anna Paulowna zou worden bestemd tot haar Grieks-orthodoxe kapel. Na de dood van haar man trad Anna Paulowna trouwens volkomen uit de openbaarheid. Ze trok zich terug op haar landgoederen, maakte paleis Soestdijk tot haar eigendom en bepaalde in haar testament dat het zou worden geërfd door Hendrik.
Soestdijk had toen al een ingrijpende modernisering ondergaan; het werd een ruim en gezellig verblijf. Ook in 1948 bleef Juliana als koningin het paleis permanent bewonen. Ze heeft er niettemin altijd één bezwaar tegen gehad: het in 1819 tot stand gekomen grote werk van Pieneman, de bloederige verbeelding van de slag bij Quatre-Bras, dat een der paleiszalen sierde. |
