Koning en Keizerrijken  

Paleis Noordeinde: Geschiedenis

| Paleizen | Nederland | Paleis Noordeinde |


Uiterlijk werd het paleis weer opgeknapt, zoals uit deze foto blijkt

Wanneer de restauratie van paleis Noordeinde definitief is voltooid, zal die ingrijpende opknapbeurt de staat een ronde zestig miljoen gulden hebben gekost. Nog nooit eerder is er zo veel aan deze meer dan 400 jarige "Oude Hof" verspijkerd. En toch is het altijd al een huis met "een gouden dak" geweest waar handen vol geld aan zijn geofferd.

Een speelbal van erfenisconflicten was het, herhaaldelijk uitgewoond, centrum van soms desastreuze feesten, dan weer zó goedkoop verbouwd of ondeskundig uitgebreid dat de volgende bewoner met de brokken zat, vaak ook erbarmelijk onderhouden. Toen ooit de koning van Pruisen er via vererving eigenaar van was geworden en er hoge gasten en (beroemde) beschremelingen liet wonen, schreef een van hen:

"In de appartementen met hun gouden lambrizeringen zijn deuren en vensters dichtgespijkerd...de planken vloeren zijn verrot, de daken lekken. Op de zolders zag ik oude wapenuitrustingen en kurassen die uw voorvaderen droegen in de strijd...de veroeste sabels waren gerangschikt naast de hellebaarden waarvan de houten handvaten allang tot stof waren vergaan. Er zijn ook nog boeken voorhanden maar die zijn de laatste halve eeuw alleen door de ratten verslonden..."

Bloemrijke taal, aan het papier toevertrouwd door niemand minder dan voltaire... Oorspronkelijk was het aanzienlijke en zelfs van een paar torentjes voorziene woonhuis in 1591 door de Staten van Holland gehuurd om de weduwe van Willem de Zwijger - Louise de Coligny - aan een bij haar stand passende behuizing te helpen. Wat later werd besloten het bezit te kopen en het aan Louises zoon, Frederik Hendrik, ten geschenke te geven. Het onderhoud en de verbouwingen werden de Staten waarschijnlijk toen al te gortig.

In 1603 was al de bouw van nieuwe paardestallen bekostigd, wat later moest een pittige rekening worden voldaan van een door de hoge weduwe bestelde tuinmanswoning, en verder stond tóen al vast dat Frederik Hendriks grootste passie bestond uit het bouwen en alsmaar verfraaien en uitbreiden van zeer luxueus onroerend goed. Voor dit paleis maakte hij geen uitzondering: hij kocht al direct een achter het huis gelegen wei die hij liet herscheppen in een "prinsessentuin" met romantische bloemperken, vijvers en fonteinen, priëlen, geschoren hagen, koepeltjes, marmeren beelden en met nog prille boompjes beplante lanen.

Dat was voor Moeder. Zelfs heeft hij er vrijwel nooit gewoond, maar ook na het vertrek van Louise de Coligny (in 1620 verhuisde ze naar Frankrijk) heeft hij steeds veel aandacht aan het "Oude Hof" gegeven. Dat moest trouwens wel, want het inmiddels van een zeer weelderige inventaris voorziene paleis werd vooral gebruikt als gastenverblijf en er waren logés bij (zoals de Engelse koningin Henriëtta Maria, ze bleef bijna een jaar) die in de interieurs een trieste puinhoop achterlieten.

In 1754 kon het paleis van de Pruisische koningen worden teruggekocht, en in 1814 werd het bestemd tot het winterverblijf van Neerlands eerste souvereine vorst, koning Willem I. Nu was het de bedoeling om voor de koning een volslagen nieuw paleis te bouwen, maar "voorlopig" werd volstaan met een provisorische verbouwing die snel maar vooral zo goedkoop mogelijk moest worden uitgevoerd.

De architect gebruikte gepleisterde baksteen en de allerbillijkste soorten natuursteen, maar het Rijk vond toch dat de man het geld over de balk smeet en verving hem door een bouwmeester die prachtige interieurs schiep in een voor Nederland zeldzame empirestijl, doch de gevels voorzag van de witte pleisterlaag die het paleis snel de naam "de opgespoten slagroomtaart" bezorgde. Bij de restauratie na 1960 kwam overigens aan het licht dat de natuursteen slechts een facade was van bijzonder onsolide gebouwde muren.


En nog een voorbeeld van een aardige bezuiniging: de hal was inderdaad van schitterend marmer, maar de brede en statige trap die naar de verdiepingen leidde bleek van geraffineerd als marmer beschilderd en ook nog slecht hout te zijn... Koning Willem III zou later vrijwel elke winter op paleis Noordeinde doorbrengen.

Voor hem werden later de nieuwe koninklijke stallen de grote trekpleister: hij had ze vooor rekening van het Rijk (f 660.000) laten bouwen aan de Hogewal. De feesten uit de tijd van Willem II waarbij meer dan 2000 edele genodigden werden gefêteerd waren toen allang verleden tijd (hoewel er nog steeds over werd gesproken), en deze koning tracteerde zijn bezoekers het liefst op een genoeglijk ritje te paard.

Hij was zelf tot op hoge leeftijd een voortreffelijk ruiter en had nog weleens de gewoonte om zijn niets vermoedende gezelschap in geforceerde ritten stevig te matten. Na de dood van koningin Sophie kon Den Haag trouwens de koning vrijwel elke dag op een van zijn paarden naar Rijswijk zien rijden. Hij bracht daar dan een bezoek aan een talentvolle zangeres van de Franse Opera, mademoiselle Eleonore d'Ambre, die er het kleine buitengoed "Welgelegen" bewoonde.

Zelfs repte de koning van huwelijksplannen, maar die werden hem voorzichtig doch dringend uit het hoofd gepraat door een delegatie van vooraanstaande adviseurs. Op 7 januari 1879 trouwde Willem III toch: met Emma, prinses van Waldeck en Pyrmont. En op 31 augustus 1880, 's middags om zes uur, werd in dit paleis Noordeinde Wilhelmina geboren. Het betekende de redding van de dynastie want de zonen van koning Willem waren inmiddels allen overleden.

In 1901 werd eveneens op dit Oude Hof het huwelijk van koningin Wilhelmina en de hertog van Mecklenburg-Schwerin ingezegend, en in 1909 werd hier prinses Juliana geboren. Tientallen jaren werd het paleis nog intensief bewoond. Totdat de koninklijke familie in de meidagen van 1940 uitweek naar Engeland. Nog één keer is koningin Wilhelmina in haar "Oude Hof" teruggekeerd: 6 juli 1945.

In 1948 werd het paleis geteisterd door een hevige brand, en tenslotte is de restauratie op gang gekomen die van het Oude Hof weer een schitterend werk-en staatsiepaleis moet maken waar opnieuw officiële bezoeken, audiënties, feesten en grootse ontvangsten zullen plaatsvinden. Het ons allen zo vertrouwde Binnenhof (Den Haag vandaag...) was als stadhouderlijk kwartier de ambtswoning voor de Oranjes. Maar vaak heeft het jaren achtereen onbewoond gestaan.

Met het overlijden van de koning-stadhouder Willem III (1702) was het Huis van Oranje in de mannelijke linie uitgestorven, en de gewesten (Friesland en Groningen uitgezonderd) besloten om voorlopig maar eens geen stadhouder te benoemen. Het gaat ogenschijnlijk uitstekend met de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Het land is rijker dan ooit, de regenten hebben athans niets te klagen en ze geven zich over aan een genoeglijk leven vol weelde en vertier, plus enig handig zakendoen, en ook in Den Haag verrijzen sierlijke en voorname herenhuizen, paleisjes zelfs, waar men heel wat aangenamer kan verblijven dan bijvoorbeeld in het verwaarloosde paleis Noordeinde, waar Voltaire door de voze vloeren zakt maar ook liefdesavontuurtjes beleeft waar heel dat keurige Den Haag schande over spreekt.


Brand in paleis Noordeinde in mei 1948. Het hoofdgebouw werd nagenoeg geheel verwoest

Veel geld dus. Maar geen leger. Er zijn verdragen met Oostenrijk en Engeland voor militaire bijstand, maar wanneer de nood aan de man komt en de Republiek een leger(tje) en een vloot moet leveren (we zijn midden in de Oostenrijkse successieoorlog verzeild) dreigt de oorlogschuwende politiek van de Hollandse regenten rampzalige gevolgen te krijgen. Er wordt, zoals dat gaat in zulke tijden, om een sterke man te roepen.

Oranje Boven dus, en dat betekent dat de Friese stadhouder Willem Karel Hendrik Friso Leeuwarden gaat verlaten om zich (1747) in Den Haag te vestigen als erfstadhouder over alle gewesten. Bijna een halve eeuw waren de vertrekken van de Oranjes aan het Binnenhof onbewoond gebleven. De ambtswoning was volstrekt verwaarloosd en moest grondig worden hersteld.

Het stadhouderlijk hof werd daarom tijdelijk elders gehuisvest, en de keus viel op een schitterend huis aan het Lange Voorhout, eigendom van Willem Bentinck, telg uit een bijzonder rijk geslacht. Al in 1752 wordt de huur van Bentinck's huis opgezegd. Stadhouder Willem IV, net veertig geworden, was in 1751 gestorven. Zijn weduwe Anna van Hannover blijft in Den Haag wonen en wel op het Buitenhof in een nieuwe vleugel die speciaal voor haar bij het stadhouderlijk kwartier was getrokken.

Daar was in 1748 de zoon geboren die als Willem V de laatste stadhouder zou worden. Zijn vijf jaar oudere zuster Carolina trouwt een jaar na moeders overlijden (ze is net 17) met een ver familielid, Karel Christiaan, prins van Nassau-Weilburg. Het echtpaar, even gefortuneerd als muzikaal, nodigt dan nog zeer jonge Wolfgang Amadeus Mozart uit om tijdens een Europese concertreis ook Den Haag aan te doen. Het wordt een bezoek van bijna vijf maanden.

In dat jaar, 1765, heeft het echtpaar definitief besloten om zich een formidabel Haags paleis te laten bouwen. Alleen het hoofdgebouw werd voltooid, en daar dankt Den Haag nog steeds een aardig bezit aan: de Koninklijke Schouwburg. Willem IV bleek overigens niet de leiderskwaliteiten te hebben die van hem waren verwacht. Hij hield zich - en waarom niet - liever bezig met het aanleggen van min of meer interessante verzamelingen. Ze zouden later de basis vormen van een "Koninklijk Kabinet van Schilderijen", waarmee het Mauritshuis wordt ingericht.

Ook zwakke vorsten hebben hun verdiensten. Jong waren ze en onstuimig: Carolina, dochter van stadhouder Willem IV, was nauwelijks twaalf toen ze hals over kop verliefd werd op de toen twintigjarige Karel Christiaan, prins van het Duitse vorstendommetje Nassau-Weilburg. Vijf jaar later (1760) werd er getrouwd en tot vreugde van Karel, die al vroeg de reputatie had méér geld aan te kunnen dan zijn vorstelijke bezittingen opbrachten, bleek Carolina een bruidsschat mee te brengen van indrukwekkende omvang: de grootste waarmee tot die tijden ooit een Oranjeprinses was toegerust...

Het paar kocht een aardige woning aan het Korte Voorhout, en schafte zich vervolgens een reeks huizen en tuinen in de directe omgeving aan: de jongelui wensten hier een paleis te stichten van waarlijk vorstelijke allure. De bouw zou omstreeks 1766 beginnen. Toen de architect van dat schoons overleed - zeven jaar later - naderde het het hoofdgebouw net zijn voltooiing. Maar Carolina en haar Karel hadden toen al hun belangstelling voor de bouw verloren. Ze waren in 1769 voorgoed vertrokken naar Nassau-Weilburg en Carolina zou in geen jaren nog een reisje naar Den Haag maken.

Er kwam een opdracht om de bouw definitief te staken, en daarbij bleef het. Er werden geen aanstalten gemaakt om de inmiddels toch vrij aanzienlijke nieuwbouw te verkopen of te verhuren. Toch had de bouw het echtpaar het ook in die tijd enorme bedrag van f 200.000,- gekost. Pas na Karel's dood in 1788 (Carolina was een jaar tevoren overleden) werd er iets van het bezit van de hand gedaan: de erfgenamen verkochten de huizen en terreinen naast het hoofdgebouw en weer een tiental jaren later - na de Bataafse omwenteling - droeg vorst Frederik Willem van Nassau-Weilburg het bouwsel over aan de Bataafse Republiek voor het schijntje van f 27.000,-.


Prinses Carolina
(1743-1787)
Géén geld voor het toch nog fraaie paleisje, en de vorst kreeg dan ook géén geld te zien want de bankier die de transactie verzorgde ging failliet. In 1802 kreeg het paleisje - eerst nog in gebruik als kazerne - een nieuwe bestemming.

Het werd ingericht als schouwburg en op 30 april 1804 kon de eerste voorstelling plaatsvinden met een stuk van een in Den Haag niet geheel onbekende auteur: Semiramis van Voltaire. Zoals zoveel theaters bleek ook de Koninklijke Schouwburg na enige tijd een bodemloze put.

Sinds 1830 droegen de gemeente Den Haag en koning Willem I elk jaarlijks f 20.000,- bij aan de exploitatie, maar de financiële problemen werden er niet minder door. Tenslotte besloot koning Willen II, voor wie de schouwburg een aangename kunstzinnige liefhebberij was, de schouwburg maar over te nemen. Hij moest er jaarlijks rond de f 180.000,- op toeleggen, maar dat had hij voor die hobby graag over.

Zoon koning Willem III vond dat later een wat al te grote verspilling. Hij deed in 1853 het gebouw weer over aan Den Haag, maar gaf nog wel twintig jaar een subsidie en een bijdrage voor het gebruik van de hofloge, en dat was bij elkaar toch nog veertig mille. Overigens had koning Willem III best veel belangstelling voor toneel en muziek. Hij wilde alleen alles ánders doen dan zijn vader. Aan het hof van koning Willem III werd vaak gemusiceerd. Hij was een groot muziekkenner en moet zelfs een baritonzanger "van betekenis" zijn geweest. Vorsten hebben nog weleens volstrekt onvermoede talenten.



| Paleizen | Nederland | Paleis Noordeinde |


terug naar boven