![]() Kan een echte Française wennen in Amsterdam? En kan een Oranje aarden in Amsterdam? Al onze vorsten hebben altijd maar heel kort in de hoofdstad verbleven. Want hun pied á terre, het paleis op de Dam, blijkt bepaald niet de aantrekkelijkste verblijfplaats te zijn voor mensen die uit een redelijke hoeveelheid andere en juist zeer prettige woningen kunnen kiezen. Het paleis ligt aan het drukste en lawaaiigste plein van de stad. Het is er jaren lang somber, koud, vochtig, donker en rommelig geweest. En door de bouwvalligheid tenslotte ook nog gevaarlijk Er moet altijd wel wat aan vertimmerd, verbouwd of gerestaureerd worden, en de voorzieningen laten nog steeds te wensen over. In 1898 laat koningin Wilhelmina ietwat verstoord de Amsterdammers per bulletin verzoeken om 's avonds na elven het rumoer op de Dam te beperken. "Opdat Hare Majesteit in deze vermoeiende dagen een niet te zéér gestoorde nachtrust kan genieten". Koningin Juliana zal later haar verblijf op het Amsterdamse paleis steeds zo kort mogelijk houden. En ook Hortense de Beauharnais, joyeuze echtgenote van koning Lodewijk Napoleon, heeft duidelijk grote bezwaren tegen het achtste wereldwonder op de Dam. Ze vindt (1810) het paleis "lomp en somber" en ze schrijft naar Frankrijk dat de atmosfeer vreselijk is: "Als je een raam opendoet word je bedwelmd door de vette, zwavelachtige walm uit de grachten..." Nog geen vier weken na haar entree in Amsterdam was ze alweer vertrokken. En ze zou er nooit meer terugkomen. Nu is het paleis op de Dam nooit een paleis geweest. Het was een stadhuis: de bouw begon in 1648 met het heien van 13659 palen in de sompige Amsterdamse bodem. Vondel noemde het gebouw dat op dit palenwoud verrees in 1657 "Het achtste Wereldwonder". En dat was geen overderijving. Het Amsterdamse stadhuis was toen het grootste (profane) gebouw ter wereld. Nergens was destijds een zaal te vinden die groter was dan de Burgerzaal. Amsterdam was nu eenmaal zeer machtig in die dagen en zou dat ook maar eens tonen: Met een stadhuis dat het voor die tijd onvoorstelbare hoge bedrag vergde - inclusief inrichting, de reliëfs, de schilderijen, de schoorsteenstukken, de decoraties en de marmeren muurafwerkingen - van 25 miljoen gulden. In 1768 zou voor het eerst een stadhouder het stadhuis even van binnen mogen zien. Prins Willem V en zijn vrouw, de prinses Wilhelmina van Pruisen, waren naar de hoofdstad gekomen voor een officieel bezoek en ze werden met veel egards ten stadhuize ontvangen, waar ze ruim een week lang zouden logeren. In de Burgerzaal werd een schitterend bal gehouden met elfhonderd genodigden, de Burgemeesterkamer werd tot slaapvertrek van prins en prinses bestemd en in de Schepenkamer werd het souper gehouden. De stadhouder heeft zich niet verbaasd dat werkelijk niéts in het stadhuis, geen enkel reliëf, geen enkel schilderij, ook maar enigszins betrekking had op de Oranjes. Alle voorstellingen zijn ontleend aan de klassieke mythologie of aan de Bijbel.
Koning Lodewijk Napoleon, zetbaasje van de Franse keizer, deelde in 1807 mee dat hij best een paleis in Amsterdam wilde bezitten (de Haagse zeelucht zou slecht voor zijn gezondheid zijn) en de stad bood hem in 1808 het stadhuis op de Dam hiervoor aan. Een edelmoedig gebaar? Of was Amsterdam de al wat vervallen kolos liever kwijt dan rijk...? Van 1665 af was er almaar aan het stadhuis gerepareerd; het gebouw lekte en scheurde, het dak bleek sneller te rotten dan te herstellen, het bleef er vochtig en kil, de restauraties slokten al snel handen vol geld op. In 1813 verscheen opnieuw een Oranje in het stadhuis-paleis: erfprins Willem Frederik. Het Napoleontische bewind was ten einde en de prins schonk het gebouw terug aan de stad. Zonder bedenken heeft Amsterdam vervolgens in 1814 - Willem Frederik was even opnieuw in de hoofdstad - het paleis weer teruggespeeld: het gebouw werd de prins "ten gebruike afgestaan" Een gezellig, steeds bewóónd paleis is het oude stadhuis echter nooit geworden. Het werd alleen gebruikt op volstrekte hoogtijdagen. Een enkele maal heeft Amsterdam de eigendomskwestie nog gesteld. Het als stadhuis in gebruik gekomen Prinsenhof werd veel te klein bevonden om die taak nog naar behoren te kunnen vervullen en er was - heel belangrijk! - de vraag op tafel gekomen wie er eigenlijk het langzamerhand zeer dringende herstel van het paleis zou moeten betalen. Want: wie was de eigenaar? De stad voelde er niets voor miljoenen te gaan besteden aan een pand waarover men niet beschikken kon, het antwoord op de vraag of (we zijn in 1912 aangeland) koningin Wilhelmina eigenaar was werd door iedereen omzeild, de gemeente stelde het Rijk voor om Amsterdam maar weer de beschikking over het stadhuis/paleis te geven en het ministerie van Binnenlandse Zaken gaf ijlings te kennen dat het pand nog steeds "Rijkseigendom" was. Het verval van het achtste wereldwonder ging inmiddels gestaag verder, ondanks de indrukwekkende bedragen die toch nog aan de noodzakelijkste herstellingen werden besteed. In de dertiger jaren kwam tenslotte een regeling tot stand waarbij de hoofdstad het "ten gebruike" gegeven paleis definitief afstond. Wél voor een bedrag van tien miljoen. Wat sindsdien aan de restauratie van het paleis op de Dam is uitgegeven bedraagt een veelvoud van die koopsom. Het interieur is weer mooi als weleer. Aan de gevels staat hier en daar nog weleens een steigertje. De "vette en zwavelachtige" dampen zijn ook nu onmiskenbaar aanwezig. |
