
Nederland telt nog maar 323 adellijke geslachten en nadat in 1994 de nieuwe Wet op het Adeldom van kracht is gegaan, zal het aantal edellieden niet groeien anders dan door geboorte. De adel zal eerder slinken. Inlijving en verheffing behoren niet meer tot de mogelijkheden; wilden buitenlandse edellieden na 1994 bij de Nederlandse adelstand ingelijfd worden, dan moest men aantonen uit een land te komen dat een vergelijkbaar adelstatuut heeft en de adel moest er ook nog zijn erkend. Naast twee andere buitenlandse geslachten waren de kinderen van prinses Irene en prins Carlos Hugo in 1996 de laatsten die de Nederlandse adelbrieven kregen-daarvóór hadden ze enkel de Spaanse titel van prins(ses) de Bourbon de Parme. Die 323 geslachten bestaan uit zo'n 10.000 personen: prins en prinses voor de directe leden van de koninklijke familie, graaf/gravin, burggraaf, baron/baronnes en de mannelijke titel ridder. Daarnaast bestaan er jonkheren en-vrouwen, echter dat zijn geen titels maar predikaten. Hoewel we de titels van hertog en-iets lager-markies kennen, worden die niet (meer) bij ons gevoerd, op Beatrix' kleidochter Eloise na die zich van de koningin wél hertogin mag noemen. Tachtig procent van onze nationale edellieden dankt zijn status aan koning Willem I, die in een overmoedige bui de adelstand tussen 1815 en 1825 met 550 geslachten uitbreidde. Hiervan is inmiddels bijna de helft uitgestorven. Van de adellijke geslachten is 12 procent ouder dan 190 jaar, met de graven Van Coeverden (uit de 12de eeuw) als oudsten. Leden van deze oude adel hebben de in de 19de eeuw verheven adellijken altijd laatdunkend als 'nieuwe adel' afgedaan - vergelijkbaar met onze hedendaagse term 'nouveau riche'. In Nederland zijn adellijke titels wél vererfbaar, echter uitsluitend van vader op zoon en dochter. Via moederskant is de adellijke titel of predikaat niet overdraagbaar. Omdat de verheffing in 1953 werd afgeschaft, dreigt nu uitsterving van de adel. De heer O. Schutte, secretaris van de Hoge Raad van de Adel:
Het is altijd een beetje droevig gesteld met de respectabele aristocratie in Nederland. Niet dat 'het standje' (zoals men in deze kring over zichzelf spreekt) altijd onbeduidend is geweest, maar de historie van de edellijken lijkt veel op een strompelgang over de hindernisbaan van het vaderlandse verleden. Dat begon al met de rommelige oorsprong van de adel in de Middeleeuwen, en het werd ook niet beter toen door de komst van de republiek de levensader met de monarchie werd afgesneden, en bereikte een dieptepunt met de opheffing in de Bataafse tijd. In de 16de en 17de eeuw gingen veel werklieden aan het stadhouderlijk hof ertoe over zichzelf de titel van 'baron'toe te eigenen, om niet onder te doen voor hun Franse collega's. Even leek er sprake van een vermenigvuldiging onder koning Willem I, omdat hij zat te springen om nieuwe adel: de heropgerichte ridderschappen van het jonge koninkrijk moesten worden gevuld. Door de grondwetswijziging van 1848 werd het adeldom echter veroordeeld tot een 'dood' instituut dat het nu nog is; politieke invloed hadden ze niet meer, de titels waren enkel nog van juridische aard. Eigenlijk bestond het begrip adel in de Nederlanden pas vanaf de 15de of 16de eeuw, en dan nog als verzamelnaam voor een respectabel gezelschap dat bestond uit ridders, dynasten (heersers over soms piepkleine gebieden), ministerialen, hoofdelingen en welgeborenen. Uiteindelijk was het enige criterium voor adeldom de vraag of men door de vorst als zodanig werd beschouwd of door standgenoten werd erkend. In Holland kwam het accent al snel te liggen op het juridische aspect van overerfbaarheid, terwijl elders in de Lage Landen levensstijl en grondbezit een veel grotere rol speelden. Resultaat was dat de Hollandse adel al weer begon te krimpen voordat zij goed en wel van de grond was gekomen. De laatste verheffing op basis van een bewezen verdienste betrof de gezant te Rome mr. L.H. Ruyssenaers in 1903. In 1953 besloot het kabinet-Drees verheffingen maar helemaal af te schaffen. ![]() Gravin-regentes Caroline, de grootmoeder van prins Bernhard der Nederlanden met haar kinderen waaronder prins Bernhard sr. (rechts) Anno 2005 komen we de titel graaf nog 27 keer tegen, terwijl er nog 103 keer de titel baron geteld wordt. De laagste titel, die van ridder, komt nog bij 7 levende geslachten voor. Eigenlijk is de geschiedenis van de Nederlandse adel daarmee samen te vatten in één zin: tijdens de Republiek flink gedecimeerd, in 1814 door Willem I tweedehands gecreëerd, in 1848 gemummificeerd en nu gemarginaliseerd. |

