Koning en Keizerrijken  

  De geschiedenis van het Monegaskisch prinsendom Grimaldi

| Koninkrijken | Monaco |


Familiewapen Monaco
Monaco is een van 's werelds kleinste staatjes; het oppervlak is niet groter dan 1,50 Km2, het aantal inwoners bedraagt 28.000. Het ontstaan ervan is te danken aan een historisch toeval. Documenten die teruggaan tot de vijfde eeuw voor Chr. maken melding van een Ligurische nederzetting op de rotsen. De Romeinse versterkingen waren gedurende de hele middeleeuwen een ideale schuilplaats voor piratenbendes. Pas tegen het einde van de twaalfde eeuw trok dit rotsachtige stukje land aan de Middellandse Zee de aandacht van de gevestigde machten.

De graven van Provence, vazallen van het Heilige Roomse Rijk, zagen de strategische betekenis ervan in en verkregen de titel 'Landheren van Monaco'; ze waren vastbesloten de piraten te verdrijven.

Dit leenheerschap was van korte duur. In 1162 en 1191 kende de keizer het nieuwe leen toe aan Genua. In deze periode werd Italie goeddeels verscheurd door de twisten tussen de Gibellijnen, voorstanders van de keizerlijke supprematie, en de Welfen, die de pauselijke macht voorstonden. De toekomstige onafhankelijkheid van Monaco was een van de kleine repercussie van deze politieke tweestrijd.

In 1297 namen de Gibellijnen de macht in Genua over, en de machtige familie der Welfen, voorheen heersers van de stad, begonnen hun lange periode van verbanning. Onder degenen die van huis en haard verdreven waren, bevond zich ook Francesco Grimaldi, die zijn toevlucht nam tot gewapend optreden ten einde voor zichzelf en zijn nageslacht een leen te veroveren. Viel zijn keuze bij toeval op Monaco? Had een van Francesco's voorvaderen ooit, zoals sommige historici beweren, Monaco geregeerd uit naam van de graven van Genua? Voor geen van beide veronderstellingen valt enig bewijs te leveren.

Wat we wel weten is dat Francesco en zijn broer Rainier zich op kerstavond 1306 verkleedde als monniken, en zo de stadspoorten lieten openen om hun troepen door te laten. Dit beroemde verhaalvalt nog altijd af te lezen van het wapenschild van de Grimaldi's: 'met zilver en rood musket', vastgehouden door 'twee monniken die zwaaien met zwaarden'.

Genua bleef twee eeuwen van strijd en beleg aanspraak maken op het gebiedsdeel, en niet eerder dan in 1482 ging Lodewijk XI akkoord met het onder zijn bescherming brengen van het leen, met dien verstande dat het 'buiten de grenzen van het eigenlijke koninkrijk' bleef. Deze erkenning van onafhankelijkheid werd in 1489 en 1512 bevestigd door Karel VIII en Lodewijk XII, en bovendien door de hertog van Savoie, wiens macht zich aan beide zijden der Alpen uitstrekte. De politieke hergroepering van 1524 bracht Monaco onder bescherming van Karel V, en daardoor kwam de erkenning van onafhankelijkhed van deze kleine staat door het Heilige Roomse Rijk en Spanje.

De titel Prins van Monaco verschijnt voor het eerst in een officiele akte in 1612, en werd formeel door Frankrijk erkend in 1641, ten tijde van Lodewijk XIII. Onderwijl voegden de prinsen van Monaco de lenen Menton en Roquebrune toe aan hun gebied. Deze twee steden waren aanvankelijk in leen gegeven aan Savoie, maar werden nu ingelijfd bij het vorstendom. In diezelfde tijd kende Lodewijk XIII aan prins Hercule van Monaco de Franse titels hertog van Valentinois, markies van Les Baux en graaf van Carlades toe.

In 1731 stierf de lijn-Grimaldi voor het eerst uit. Antoine I had namelijk geen zonen, en dus ging de troon naar zijn oudste dochter, Loise-Hyppolite, de vrouw van Jacob van Goyon-Matignon. Deze laatste nu, jongste zoon van een van oorsprong Normandische familie, was bereid naam en wapenschild van de Grimaldi's te voeren.

In 1792 kwam er, alhans tijdelijk, een eind aan de verfijnde structuur die de landheren en prinsen van Monaco hadden geweven. In februari van dat jaar verklaarde de bevolking de prinsen van de troon vervallen en verklaarden zich trouw aan de Franse Republiek. In feite verbleven de prinsen al eeuwen voornamelijk te Versailles, terwijl ze slechts zo nu en dan even in Monaco te vinden waren. Honorius III en zijn oudste zoon werden gevangen gezet. Joseph, de jongste, ging naar het buitenland, terwijl zijn vrouw in Parijs bleef en op het schavot de dood vond. Monaco was de komende 21 jaar zijn zelfstandigheid kwijt.

In 1815 kwamen de Grimaldi's weer aan de macht. Het gebied dat Honorius had geerfd was doodgebloed en volkomen vernietigd door de jaren van anarchie. Ondanks dat waren zijn onderdanen niet bijzonder gecharmeerd van zij autoritaire bewind. Zijn broer en opvolger, Florestan I, boekte evenmin succes bij zijn zinloze pogingen de economie van het vorstendom te stimuleren, ondanks de steun van zijn vrouw Caroline Gilbert. zijn op het volk gerichte initiatieven en zijn liberale houding ten spijt-minder belastingen en accijnzen, kosteloos onderwijs en onderdak-leek tegen 1848 een fiks aantal van zijn onderdanen bereid over te gaan tot gewapende opstand. Menton en Roquebrune rebelleerden en eisten samenvoeging bij het koninkrijk Piermonte Sardinie. Naar aanleiding van een referendum dat de regeringen van Frankrijk en Italie werd gehouden, werden zij definitief bij Frankrijk ingelijfd. Twee jaar later verscheen de tovenaar ten tonele die de Monegaskische rots in zijn oude eer en glorie zou herstellen.

In 1856 werd de maatschappij die tot taak kreeg het gebied aan zee te ontwikkelen tot een toeristisch aantrekkelijk oord in het leven geroepen; het duurde nog tot 1863 voor er onder leiding van Louis Blanc, benoemd door Karel III, werkelijk iets gebeurde. Gokken, een bezigheid die in de buurstaten verboden was, zou van Monaco een luxueus oord maken, waar een onuitputtelijke stroom goud in de schatkisten der prinsen zou vloeien. Het vorstendom dat na de afscheiding van Menton en Roquebrune nog slechts uit de stad Monaco bestond, onderging een min of meer denkbeeldige vergroting. Op verzoek van Louis Blanc ging Karel III akkoord met de stichting van Monte-Carlo, een nieuwe stad-speciaal gericht op toeristisch vertier en gokken. Het succes ervan overtrof alle verwachtingen, en is nimmer ingezakt, hoewel gokken tegenwoordig nog maar een klein deel van de vorstelijke inkomsten uitmaakt.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog gaf de oplossing van een overigens klein probleempje inzake de civiele status, de Grimaldi's hun kans om terug te keren. In 1918 begon de Franse regering zich bezorgd te maken over het ongehuwd blijven van Lodewijk, de 48 jaar oude troonopvolger. Zij vreesden dat bij zijn eventuele dood, de troon mogelijk zou vallen aan de Duitse prinsen, hertogen van Urach, en afstammelingen van prinses Florestine van Monaco. De machtige Derde Republiek drong Albert I, de soevereine prins, een verdrag op, waarbij de buitenlandse en economische politiek van het vorstendom stevig aan banden werd gelegd. Als de dynastie mocht uitsterven, zou Monaco Frans grondgebied worden.

Om deze eventualiteit voor te blijven adopteerde de erfgenaam, met toestemming van zijn vader, zijn onwettig kind, geboren in 1889 te Algerije uit een relatie met Marie Juliette Louvet. Als gevolg hiervan werd Charlotte Louvet in 1919 'Hare Doorluchtige Hoogheid prinses Charlotte van Monaco, Hertogin van Valentinois'. In 1922 trouwde zij met graaf Pierre de Polignac, afstammeling van een oud, adellijk Frans geslacht. Net als Jacob van Goyon-Matignon, verre voorvader van zijn vrouw, stemde graaf Pierre de Polignac ermee in afstand te doen van zijn eigen naam, wapenschild en titel, en die van zijn schoonvader te nemen.

Hij werd dus 'Zijne Doorluchtige Hoogheid prins Pierre van Monaco'. Uit deze verbintenis werden twee kinderen geboren: prinses Antoinette in 1920, die in 1951 tot barones van Massy werd uitgeroepen, en prins Rainier, de huidige soeverein, in 1923. In 1944 abdiceerde Charlotte ten gunste van haar zoon. Bij de dood van Lodewijk II in 1949 werd Rainier dus Rainier III, soeverein prins van Monaco. Uit zijn huwelijk met Grace Patricia Kelly in 1956, werden drie kinderen geboren: Prinses Caroline
(23-01-1957), erfgenaam prins Albert (14-03-1958) en prinses Stephanie (1-02-1965).



| Koninkrijken | Monaco |


terug naar boven