Dat die vrouw het er achteraf helemaal niet zo slecht afbracht, bleek bij de geboorte van Juliana, die met heel wat meer hartelijkheid door het Nederlandse volk werd ontvangen. En bij de geboorte van Beatrix was oranjegezind Nederland uitzinnig van vreugde. De prinses van Oranje-Nassau die op 31 augustus 1880 geboren werd, kreeg de namen Wilhelmina Helena Paulina Maria. Ze was het eerste en enige kind uit het tweede huwelijk van koning Willem III, toen al 63 jaar oud. Veel enthousiasme over Wilhelmina's geboorte was er niet bij de Nederlandse bevolking. De vader van de baby was een zeer conservatief man, die voor staatszaken weinig belangstelling had en dit feit nauwelijks verbloemde. Wel hield hij veel van zijn dochtertje. In het Nederland waarin Wilhelmina werd geboren, speelde het standsverschil nog een grote rol. De kloof tussen arm en rijk was diep. Het is dan ook te begrijpen dat het nieuws van de geboorte van het prinsesje nogal nuchter werd ontvangen. Niet in de laatste plaats omdat de Nederlanders het vooruitzicht van een vrouw op de troon niet bijster aantrekkelijk vonden. En de kans dat dit kleine meisje eens Nederlands koningin zou worden, was uitermate groot. Sophia van Württemberg, de eerste vrouw van koning Willem III, was drie jaar tevoren gestorven. Van haar drie zonen was alleen Alexander nog in leven, en dienst gezondheid was zo slecht dat niemand geloofden dat hij ooit de troon zou bestijgen. Dit gebeurde dan ook niet. Op 21 juni 1884 stierf de kroonprins. Daarmee werd de nog geen vier jaar oude Wilhelmina kroonprinses. Onmiddellijk werd haar opvoeding aan de nieuwe situatie aangepast. Zo werd er ondere andere een gouvernante aangenomen, die het kleine meisje moest inwijden in de geheimen van de Franse taal, in die tijd de omgangstaal aan het Nederlandse hof. Toen het kind vijf was, maakte de Franse lerares plaats voor een Engelse. Het prinsesje had op die manier wel heel erg weinig gelegenheid werkelijk kind te zijn, nog afgezien van het feit dat zij geen broers of zusjes had en alleen opgroeide tussen louter volwassenen, aan een hof waar het protocol hoog in ere werd gehouden. Lager onderwijs kreeg ze vanaf haar zesde jaar van de heer Gedeking, een hoofdonderwijzer uit Den Haag. Daar zat de kleine Wilhelmina dan, in een tot leslokaal ingericht zaaltje van Het Loo, alleen met haar onderwijzer en zonder contact met leeftijdgenootjes. Buiten de lesuren bestond haar gezelschap uit dieren: een hond, wat eenden, konijnen en geiten, duiven en een ezeltje. En dan waren er nog de poppen waarmee ze urenlang kon spelen en die overal mee naar toe gingen. Ze had er veertig. Waar het gezin ook verbleef, op Het Loo, in Den Haag, op Soestdijk, overal richtte koningin Emma een poppenkamer voor haar dochtertje in, of schutte met kamerschermen een poppenhoekje voor haar af. Het hoogtepunt van Wilhelmina's dag was in haar kleutertijd het speeluurtje met haar vader. In 1959, toen ze haar memoires schreef, bezat ze nog de wandelstok waarmee ze mocht spelen als hij en zij samen in de tuinen wandelden. En Juliana's kinderen speelden met zijn dominostenen, die Wilhelmina als een kostbaarheid bewaarde. Als kind maakte zij daarmee primitieve bouwseltjes en speelde er later domino mee. Zoals later ook haar dochter en kleindochter, had Wilhelmina een sterke band met haar vader. In haar boek "Eenzaam, maar niet Alleen" schrijft zij hierover: "Een waar feest was het als we gingen spelen met zijn groot zinken bad, dat - o, wonder voor die tijd - reeds kranen voor warm en koud water had. Wij maakten dan van papier van zijn schrijftafel scheepjes en lieten die varen. Ik had een vast speeluurtje bij vader; ik meen mij te herinneren dat het om vijf uur begon. Ik kreeg dan een mooie jurk aan met open hals en zonder mouwen, met een grote ceintuur en strikken van dezelfde kleur op mijn schouders (...) Veel eerder dan ik mij herinneren kan, was er in het park een châletje voor mij opgetrokken. Vlak daarbij had ik een duiventil, een eendenvijver, schommel en wip en een pomp. Ik hield konijnen en kippen en niet te vergeten was er voor mij de ezel Grisette, waar ik veel mee reed". Dieren en de natuur spelen voor alle Oranje-kinderen een grote. Zo had Wilhelmina in de tuin van Het Loo haar eigen tuintje, waar doorheen Willem III een pad had laten aanleggen dat omzoomd werd door dwergroosjes. Koningin Emma zorgde ervoor dat Wilhelmina het hele jaar door de kamer van haar vader van bloemen voorzag. Ze moest ze zelf plukken en dan in vazen schikken. In de laatste jaren van zijn leven was de koning veel ziek.
Zowel Wilhelmina zelf, als Juliana en de kleinkinderen, hebben in dit huisje veel gespeeld en echt in het keukentje gekookt. Haar eerste pony en ponywagen herinnerde Wilhelmina zich nauwelijks, maar des te beter de vier Shetlandpony's die later kwamen. De namen voor die paardjes mocht zij bedenken: Brownie, Puck, Blackie en Baby. Deze laatste pony werd Wilhelmina's eerste rijpaard en heeft, ondanks zijn naam, een hoge leeftijd bereikt. Met de pony's kreeg het meisje van haar vader een kopie van de ouderwetse mandewagen, een panier, en reed daar veel mee. Ook aan haar moeder had Wilhelmina goede herinneringen. Ondanks haar drukke leven (een half jaar voor Willems dood moest Emma al het regentschap op zich nemen) maakte die veel tijd vrij om met haar dochtertje te spelen. Toen dat daarvoor de leeftijd bereikt had, was er in de dagindeling een vast tijdstip waarop koningin Emma haar kind met naald en draad leerde omgaan. Terwijl de kleine naaide of borduurde, zaten zij samen gezellig bij het raam en vertelde haar moeder verhalen. Zondags waren dit verhalen uit de bijbel. Koningin Emma had dan een tafel met platen voor zich staan, waarmee ze wat ze vertelde illustreerde. Volgens Wilhelmina had Emma een diep geloof, dat haar de kracht gaf die zij in haar drukke, soms moeilijke leven nodig had. In leren had de kleine kroonprinses aanvankelijk weinig zin. Pas toen ze een jaar of acht was, vond ze dat ze nu toch echt moest proberen "knap" te worden. En eigenlijk is dit nóg vroeg, voor een kind dat, op de leeftijd dat andere kinderen pas gaan leren lezen en schrijven, al Frans en Engelse kende. Opvallend is dat ze vooral genoot van de lessen in vaderlandse geschiedenis; ook Juliana en Beatrix zouden dit later - naast de Nederlandse taal - hun lievelingsvak noemen. Het leren schaatsenrijden gebeurde op eigen verzoek, maar had wel wat voeten in de aarde. Koning Willem III was conservatief en vond schaatsen voor meisjes "onbetamelijk". Daarom mocht hij, wegens zijn slechte gezondheidstoestand, niet weten dat zijn dochtertje op het ijs ging. Emma liet haar ongemerkt les geven op een vijvertje in de tuin. Het kind genoot ervan. Toen haar vader overleden was, zou ze nog menig baantje rijden op de gracht aan de oostkant van Huis ten Bosch, waar later Juliana eveneens haar eerste stappen op het ijs zette. Ook zij ging veel van schaatsen houden. Toen ze groter was, zouden Wilhelmina en zij zelfs naar Friesland gaan, om daar aan de ijspret deel te nemen. Op Wilhelmina's programma stonden ook vakken die veel minder bij haar in de smaak vielen. Al jong begon ze met pianolessen, maar omdat ze onmuzikaal was, werd daaraan al gauw een einde gemaakt. Ook de danslessen, die ze kreeg met één ander kind, en de tekenlessen bevielen niet erg. Ze had weinig op met de aanwijzingen die ze bij het tekenen kreeg en werkte liever volgens een eigen methode. Maar op die leeftijd ging dat natuurlijk niet. "Ik was en bleef altijd slecht van aannemen en een ongezeglijke leerling" zei ze van zichzelf. Zowel haar vader als haar moeder wilden dat Wilhelmina een degelijke opvoeding kreeg. In de familie hadden ze meegemaakt dat ouders teveel toegaven aan de grillen van hun kind, dat als gevolg daarvan later niet bestand bleek tegen de verleidingen van gemakzucht en egoïsme. Hun wens een herhaling hiervan te voorkomen, drukte zwaar zijn stempel op Wilhelmina's opvoeding. Elke zwakheid van haar kant werd onmiddellijk aangepakt. Het is wel duidelijk dat Wilhelmina geen gemakkelijke jeugd heeft gehad, ook al heeft ze ook wel plezierige herinneringen aan haar kindertijd bewaard. In tegenstelling tot wat voor de hand lijkt te liggen, miste zij de omgang met andere kinderen meestal niet. Anders dan later haar dochter Juliana, die steeds hunkerde naar jong gezelschap. Wilhelmina vond het heerlijk enig kind te zijn en haar ouders voor zich alleen te hebben. Bovendien kon ze goed opschieten met haar gouvernantes. Toch heeft ze natuurlijk veel gemist, vooral doordat zij kort na haar tiende verjaardag haar vader verloor en koningin werd. Zowel Wilhelmina als Juliana waren op hun achttiende verjaardag klaar voor de taak die hen wachtte. Daarna zou Juliana nog tijd genoeg krijgen om van haar jeugd te genieten, maar voor Wilhelmina was echt jong zijn nooit weggelegd. Sedert 23 november 1890, de sterfdag van koning Willem III, was zij voor het volk Nederlands koningin. "Koninginnetje met hangend haar", zoals ze werd genoemd. Koningin Emma vatte haar voorbereidende taak heel ernstig op.
Direct na de rouwperiode, in het voorjaar van 1891, bracht zij met Wilhelmina een officieel bezoek aan Amsterdam. Het koninginnetje was voor de gelegenheid gekleed in een wit jurkje met zwarte seintuur. Bij aankomst werden zij met kanonschoten begroet. Bovendien wachtte hen een stormachtige ontvangst op De Dam, die op het kind een diepe indruk moet hebben gemaakt. Er was een ontvangst in de Nieuwe Kerk, een gala-diner, en een speciaal door Nicolaas Beets geschreven "Welkomstgroet", die door een gemengd koor van zeshonderd kelen werd gezongen. Tijdens dit bezoek verrichtte Wilhelmina haar eerste officiële daad. Op 28 mei 1891 legde zij, in de stromende regen de eerste steen voor het Amsterdamse Wilhelmina-Gasthuis, dat tot het najaar van 1983 in gebruik is gebleven. Voor het eerst hield zij een (kleine) rede: "Ik hoop dat dit gebouw tot zegen moge strekken van Amsterdam", en tekende de oorkonde, op de plek die verzorgster freule Van de Poll met een potloodstreep had aangegeven. Daarmee begon de reeks officiële bezoeken, waarvan er vooral twee het noemen waard zijn. In de eerste plaats was dat de reis naar Zeeland, dat 32 jaar niet door een Oranje was bezocht. In 1895 volgde een tiendaagse tocht door de provincies Brabant en Limburg. Overal werd de kleine koningin met dezelfde vertedering en geestdrift ontvangen. Wilhelmina's leven was dus na de dood van haar vader - ze was toen elf jaar - drastisch veranderd. Heel ingrijpend was onder andere voor haar de verhuizing naar de stad, een vrijheidsbeperking die in die tijd waarschijnlijk nog groter was, dan ze nu zou zijn geweest. Alleen in de intimiteit met haar moeder kon het kleine meisje eens gewoon mens zijn. Daar buiten moesten haar moeder en zij voortdurend klaar staan het strenge officiële gedeelte van hun leven binnen te stappen. De paleizen waar ze woonden, waren daarvan een weerspiegeling. Hoogstens een enkel hoekje was daar gezellig menselijk, zonder druk van buitenaf. Als Wilhelmina in haar tuintje had gewerkt of in haar chaletje had gekookt, dan kreeg ze bij thuiskomst niet de gebruikelijke schoonmaakbeurt, maar moest haar verschijning onmiddellijk weer worden aangepast aan de officiële sfeer die haar voortdurend omgaf. In haar boek "Eenzaam, maar niet alleen" noemde zijzelf dit geheel van maatregelen, dat haar en haar moeder zoveel genoegens ontzegde en beperkingen oplegde: "de kooi". Binnen de kooi was gewone omgang met andere kinderen ondenkbaar. Ze kende dan ook geen leeftijdsgenoten, had nauwelijks kans tot het aanknopen van vriendschapsbanden en had vrijwel geen vriendinnen uit haar kinderjaren, hoogstens wat kennisjes. Die kennismakingen ontstonden doordat koningin Emma, na de dood van koning Willem III, geregeld een aantal kinderen uitnodigde om bij haar dochtertje te komen spelen. Weliswaar kon er dan wel wat gestoeid en gespeeld worden, maar dit moest gebeuren in één van de zalen waar nooit een huiselijke sfeer was. Niet bepaald gelegenheden die bevordelijk zijn voor het ontstaan van een vriendschap. Er zijn wel eens pogingen gedaan de kinderen in Wilhelmina's speelkamer te laten spelen, met háár speelgoed. Maar als enig kind had de jonge koningin daarmee grote moeite, zodat die pogingen niet werden doorgezet. "Voor mijn karaktervorming was het beter geweest als men dit wél had gedaan", schreef zij later zelf. Om het geheel allemaal nog minder spontaan en ingewikkelder te maken, moest bij de uitnodigingen rekening worden gehouden met alle kinderen die in aanmerking kwamen. Bovendien moest elk van die kinderen per winter eenzelfde aantal keren gevraagd worden. Er speelden in het paleis dus telkens andere kinderen en met eventuele sympatiën, antipatiën of karakterovereenkomsten werd duidelijk geen rekening gehouden. Kweek op die manier maar eens een vriendschap! De enige natuurlijke omgang met andere kinderen had Wilhelmina in Arolsen, op het stamslot van de familie Waldeck-Pyrmont, het geboortehuis van haar moeder. Zo lang haar grootouders nog leefden, woonden koningin Emma en zij daar menige familiereünie bij. Dáár kon Wilhelmina als gelijke omgaan met de nichtjes en neefjes en de eventuele logé's van buiten de familie. Het is niet verwonderlijk, dat zij geprobeerd heeft haar dochtertje minder eenzaam te laten opgroeien. Op haar achttiende jaar zou Wilhelmina officieel koningin worden. Haar hele opvoeding was erop gericht geweest haar hiervoor klaar te stomen. Wilde zij op 31 augustus 1898 het leerprogramma hebben afgewerkt, dat door haar opvoeders werd gezien als het minimum voor de vervulling van haar taak als koningin, dan moest ze al vroeg beginnen met het hoger onderwijs. Daarom kreeg ze, na de lager-onderwijs-stof te hebben doorgewerkt, een soort korte samenvatting van het middelbaar lesprogramma. Aan bepaalde vakken werd minder aandacht besteed dan op de scholen gebeurde; daar stond tegenover dat andere juist grotere nadruk kregen. ![]() Blijde intocht van koningin Wilhelmina in Amsterdam (1898) Wat de opleiding compliceerde, was het feit dat het jonge koninginnetje altijd moest klaarstaan voor officiële optredens. Meestal was daarmee heel wat tijd gemoeid en dat ging dan natuurlijk ten koste van de lestijd. Ook brachten staatsiebezoeken, plechtigheden en rijtoeren natuurlijk heel wat voorbereidselen met zich mee. Dat wil zeggen drukte, onrust, voortdurende omschakeling. "En daarvoor is een kind niet altijd klaar", zoals Wilhelmina later in haar memoires zou schrijven. Dit steeds weer overstappen van het huiselijke, van de klas naar het officiële, moet voor het jonge kind een grote belasting zijn geweest. Naarmate zij groter werd, zal het haar iets gemakkelijker zijn gevallen. Maar vooral in haar studietijd moeten deze onderbrekingen toch bijzonder slecht zijn geweest voor de concentratie. In 1896 zei Wilhelmina de "leerkamer" vaarwel en kreeg nu in Soestdijk en op Het Loo kamers, die haar het gevoel gaven "groot mens" te zijn. Daaronder was ook een werkkamer waar ze haar verdere studie zou moeten afmaken. Over het algemeen was het onderwijs dat ze kreeg erg zakelijk en helemaal op de praktijk gericht. Het meeste van wat Wilhelmina leerde, interesseerde haar en kostte haar daardoor weinig inspanning. Hoger en middelbaar onderwijs liepen door elkaar heen. Ook nu ging haar voorkeur duidelijk uit naar geschiedenis en - net als bij bij Juliana en Beatrix - naar het Nederlands. Behalve de exacte vakken, het Nederlands, Engels, Duits en Frans, aardrijkskunde en geschiedenis (deels op academisch niveau), stonden op het programma kunst-geschiedenis en - afgestemd op haar latere bestuurlijke taak - de Nederlandse Grondwet, Staatsrecht, Land-en Volkenkunde van het huidige Indonesië. Bij de lessen die onmiddellijk verband hielden met Wilhelmina's toekomstige functie en ook bij de catechisatie-lessen was koningin Emma zoveel mogelijk aanwezig. Zij maakte voor haar dochter de aantekeningen. Soms betekende dit dat zij, vooral in het laatste jaar voordat Wilhelmina meerderjarig werd, dagelijks zo'n vier uur luisterde en noteerde. En dit terwijl zij als regentes zelf een zware regeringstaak had! In oktober van hetzelfde jaar trok het gezin voor korte tijd naar Den Haag, waar Wilhelmina aangenomen en bevestigend zou worden. Om te voorkomen dat dit ernstige gebeuren publiek zou trekken, had de plechtigheid plaats in het paleis. Maar voor het daarop volgend Heilig Avondmaal, dat samen met de andere kerkgangers werd gebruikt, ging de koninklijke familie naar de Haagse Kloosterkerk. Hiermee begon voor Wilhelmina de volwassenheid, die zich in de daaropvolgende decembermaand aankondigde met eindeloze defile's. In januari volgde het galabal "met al zijn vromelijkheid en de verplichtingen om al maar te praten" zoals zij zelf schreef. Verder waren er grote en kleinere diners, bezoeken aan schouwburg en concertzaal, en andere feestelijkheden. Tegelijkertijd begon haar moeder haar in te wijden in haar toekomstige taak, liet haar audiënties en conferenties bijwonen, de opening van de Staten-Generaal en officiële bezoeken afleggen. In de lente van 1897, aan het einde van die drukke winter, maakte Wilhelmina door omstandigheden kennis met het leven in Wenen. Dit werd voor haar een grote belevenis. Uit die tijd dateert ook de kennismaking met Ada de Joannis, die koningin Emma tijdelijk als gezelschap voor Wilhelmina had uitgekozen. Vooral ook omdat dit Wilhelmina de kans gaf haar Frans in praktijk te brengen. Ada, die uit de Elzas afkomstig was, bleek goed met Wilhelmina te kunnen opschieten en werd ook daarna herhaaldelijk bij de jonge koningin thuis uitgenodigd. Zo ontstond tussen de twee meisjes een echte vriendschap. Voor ze met Wilhelmina kennis maakte, had Ada als gezelschapsdame van prins Hendriks zuster, enkele maanden doorgebracht in zijn ouderlijk huis. Nu leerde Wilhelmina uit Ada's verhalen het gezin al enigzins kennen, dat later haar schoonfamilie zou worden. Inmiddels was het 1898 geworden. Het jaar, waarin Wilhelmina als koningin zou worden ingehuldigd, was aangebroken. Al in de winter werd met de voorbereidingen begonnen en maakte de aanstaande koningin een begin met een opzet voor haar inhuldigingsrede, die ze zelf wilde schrijven. En tenslotte ging zij in het voorjaar met haar moeder op reis. Als onderdeel van het lesprogramma, als de kroon op haar algemene ontwikkeling, moest Wilhelmina kennismaken met een aantal Europese landen en steden. Bovendien moest de reis ervoor zorgen dat zij uitgerust de drukke weken rond haar kroningstijd zou ingaan. Allereerst werd een bezoek gebracht aan Parijs. Daarna kwam Cannes aan de beurt. Vandaar ging het naar Italië en tenslotte naar Zwitserland. Voor die dagen was dit een zeer omvangrijke reis en Wilhelmina heeft er met volle teugen van genoten. Haar opleiding was afgerond. Ze was klaar om aan de opdracht te beginnen, waarvoor haar hele jeugd één lange voorbereiding was geweest.
De officiële inhuldiging was op 6 september. Wilhelmina droeg daarbij de grote kroningsmantel, die ná haar Juliana en Beatrix bij hun inhuldiging zouden dragen. Na zes voor haar onvergetelijke weken, waarbinnen ook de opening viel van de Staten-Generaal, begon zij serieus aan haar regeringstaak. "Er gebeurde zowat niets", schreef ze in "Eenzaam, maar niet alleen". "Moeder had zich plichtmatig stipt van al wat regeren was teruggetrokken. Maar verder veranderde er niets. Dezelfde omgeving, dezelfde geest, dezelfde kooi (...). Volgzaam deed ik wat er van mij verlangd werd. Ik luisterde altijd naar de raad van moeder, natuurlijk uitgezonderd in regeringsaangelegenheden (...) Wat mij nog ontbrak was levenservaring, levenswijsheid en een visie op de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van Nederland in de naaste toekomst". Dat dit later wel anders zou zijn, weten we inmiddels. Koningin Emma onderhield nauwe relaties met haar familie in Duitsland. Daarom brachten moeder en dochter bijna al hun vakanties door in Arolsen, in het stamslot van de familie van Waldeck-Pyrmont, waar Emma in 1858 was geboren. Al enige tijd keek zij uit naar een geschikte partner voor de jeugdige koningin . Zelf Duitse van geboorte ging ze bijna als vanzelfsprekend daar op zoek naar een eventuele pretendent. Tot degenen die voor Wilhelmina in aanmerking kwamen, behoorden onder andere de hertogen van Mecklenburg-Schwerin. Wie van hen echtgenoot van haar dochter zou worden, dat kon koningin Emma op dat moment niet zóveel schelen. In de eerste plaats ging het er haar nu om Wilhelmina in contact te brengen met één van hen. De ontmoeting die Wilhelmina in 1900 in Thúringen met hertog Hendrik had, was dan ook door koningin Emma voorbereid. De jonge mensen maakten kennis in het slot van de vorst van Schwarzburg-Rudolstadt, waar op dat tijdstip de Schwarzburgse prinses logeerde, die Hendriks grootmoeder was. Voor dit bezoek aan haar hadden Emma en haar dochter hun intrek genomen in een hotel, waar de hertog vervolgens zijn opwachting kwam maken bij het Hollandse koninginnetje. Kort daarop nodigde Hendriks tante Thekla Wilhelmina uit voor een picknick waaraan ook Hendrik zou deelnemen. "De gezamelijke wandeling daarheen en de picknick bevielen hem en mij zo uitstekend", aldus Wilhelmina in haar memoires, "dat we ons begonnen af te vragen of een wandeling hand in hand door het leven aan te bevelen ware". Maar voorlopig bleef het bij deze enkele ontmoetingen. Voor Wilhelmina werd het een spannende zomer, want Hendrik van Mecklenburg liet lang niets van zich horen. Het zou nog tot 12 oktober duren voor Wilhelmina en hij zich als verloofd paar aan de familie presenteerden. Vazelfsprekend ging daaraan ontmoetingen vooraf die bedoeld waren om elkaar beter te leren kennen. Tenslotte zou het jaarwoord van Wilhelmina niet alleen consequenties hebben voor haar, maar voor het hele Nederlandse volk. Hoewel al die ontmoetingen strikt geheim waren, kreeg de pers er als altijd lucht van dat er iets op handen was. Onmiddellijk werden er stappen ondernomen om de journalisten op een dwaalspoor te brengen, zoals dit ook weer zou gebeuren in de tijd voorafgaand aan de verloving van Juliana respectievelijk Beatrix. De jonge koningin wilde tot geen prijs dat de verloving bekend zou worden gemaakt voor zij zelf een beslissing had genomen. Van feestelijkheden bij hun tijdelijke gastheer in het Odenwald kon weinig sprake zijn, want de officiële verloving moest plaatshebben in Nederland. Al op 15 oktober reisden Emma en Wilhelmina terug, want Hendrik zou de 16de al op Het Loo arriveren. Er volgde voor de koningin een heerlijk najaar, waarin het verblijf op Het Loo alleen werd onderbroken voor de intocht in Den Haag. Naar Schwerin mocht Wilhelmina nog niet. Het was daar gewoonte dat de hertogen er hun feestelijke intocht deden met hun jonge vrouw. Dat kwam dus later. Het was een echt Duits gezin waarin Hendrik opgroeide. Zijn vader, de groothertog, was op en top een pruisisch militair en leerde zijn kinderen stipte gehoorzaamheid. Daarnaast gaf hij hun echter de vrijheid zowel in huis als buiten te spelen en te ravotten en deed soms even hard mee. Dat daarbij lawaai werd gemaakt, hinderde hem nooit. Zoals later de familie van prinses Irenes verloofde moeilijkheden bij de verloving zou maken, zo was de Mecklenburgse familie niet onmiddellijk bereid eraan mee te werken dat Hendrik door zijn huwelijk de Nederlandse nationaliteit zou krijgen en de Duitse zou verliezen. Ook eisten zijn ouders onder meer een jaarlijkse toelage voor hun zoon, waarvan hij zijn representatieve verplichtingen zou kunnen bekostigen. Al deze verzoeken werden afgewezen. Er kwam alleen de toezegging dat Hendrik, in het geval dat Wilhelmina eerder dan hij zou overlijden, jaarlijks een toelage uit de Nederlandse schatkist zou krijgen. Ten langen leste legde de familie zich daarbij neer. Maar het ontbreken van een eigen inkomen zou tijdens Hendriks verdere leven een twistpunt blijven. Prins Hendrik was in ons land de eerste prins-gemaal. Dus was er niemand die hem kon inlichten over de inhoud van zijn functie, of van wiens ervaringen hij kon leren.
Toen de feestelijkheden voorbij waren, merkte Hendrik al gauw dat er voor hem weinig te doen viel, ook al wijdde hij dagelijks wat tijd aan zijn studie van het Nederlands, die hij ernstig opvatte. Hij zou onze taal altijd met een opvallend Duits accent blijven spreken. Het wennen aan de strenge hofetiquette kostte hem moeite, vooral omdat die hem meer verbood dan toestond. Zijn nieuwe levensvervulling bleek voornamelijk te bestaan uit het vergezellen van zijn vrouw bij officiële gelegenheden. Daaraan kon hij zich moeilijk onttrekken, maar het verveelde hem wel. Bij zijn vrouw hoefde hij niet te rekenen op enig begrip. Die was door haar moeder al zo jong voorbereid op haar taak, en haar was zo diep ingeprent dat het leven van een koningin één aaneenschakeling van ernstige plichten is, dat zij al het andere van ondergeschikt belang achtte. Bovendien had zij, uit dat wat zij over andere koninklijke echtparen had gehoord, begrepen dat de prins-gemaal vooral geen invloed mocht krijgen. Hij moest zich maar bezighouden met de tuinen en de paarden. Daar hield hij van en het kon geen kwaad. Hendrik was grotendeels opgevoed in Rabensteinfeld, oorspronkelijk een opzichterswoning die verbouwd was tot herenhuis. Het lag op een hoge, steil aflopende heuvel, boven het meer. Vanuit de kamer van Wilhelmina's schoonmoeder was heel in de verte het slot te zien van Schwerin, dat per rijtuig in ongeveer een uur te bereiken was. Hendrik was volop buitenman en bracht alleen de winters door in Schwerin. Als jongen roeide hij, reed paard en hielp bij het binnenhalen van de oogst. Toen hij er de leeftijd voor had, ging hij er op jacht in de eindeloze bossen, waar hij dol op was. Ook hield hij veel van dieren en was beslist geen jager omdat hij er plezier in had ze te doden. Toen hij zijn officiersopleiding begon, koos hij voor de "Jäger" in hun groene uniform, om de traditionele verbinding van dat korps met de bossen en de jacht. In Potsdam, waar hij gelegerd was, had hij een eigen villa, heel gezellig en stijlvol ingericht. Bij zijn vrienden stond zijn huis bekend als het "Slurvenpaleis", om de olifantensnuiten die hij had meegebracht uit het oosten en aan de wanden opgehangen. Bij zijn komst in Nederland moesten die trofeeën in zijn kamer worden ondergebracht en iedereen in het paleis keek zijn ogen uit. Door al Hendriks exotische souvenirs was het een heel bijzondere, maar gezellige kamer. Zijn opleiding wijst al in de richting waarin hij in Nederland zijn werkkring zou zoeken. Door zijn ontginningsijver werd veel heidegrond omgezet in bossen. Door Hendriks dappere optreden tijdens een scheepsramp die in 1907 op de Nieuwe Waterweg plaatsvond, won hij voorgoed de harten van de bevolking. Eindelijk kwam de regering op het idee dat een zo moedige, daadkrachtige prins toch eigenlijk meer moest kunnen presteren dan waartoe hij tot dan toe in staat was gesteld. Resultaat van één en ander was dat hij in 1908 voorzitter werd van het hoofdbestuur van het Rode Kruis, een functie die hij met grote inzet tot zijn dood heeft vervuld. Op zijn initiatief werd in 1909 de Nationale Bond voor het Reddingswezen en EHBO "Het Oranje Kruis" opgericht. Uit alle beschrijvingen komt Wilhelmina's echtgenoot naar voren als een goede, beminnelijke, maar verlegen en onzekere man, op wie nooit vergeefs een beroep werd gedaan. Hij schijnt eigenlijk een beetje bang geweest te zijn voor zijn vrouw, hoewel hij - vooral in het begin - ook samen met haar veel plezier kon hebben. Maar Wilhelmina en Hendrik verschilden zoveel in karakter, hadden zo weinig belangstellingen gemeen, dat ze steeds meer uit elkaar groeiden. Daarentegen was de verhouding met Juliana bijzonder goed. Toen zij ruim acht jaar na de huwelijkssluiting werd geboren, was hij uitgelaten van vreugde. Hij en zij hadden veel met elkaar gemeen en daarom was er begrip tussen hen. Bovendien had prins Hendrik tijd voor zijn dochtertje, terwijl haar moeder het meestal te druk had. Als ze in het keukentje van het châletje op Het Loo bezig was geweest, ging hij bijvoorbeeld vaak proeven wat ze gebrouwen had. En zei iemand iets waarderends over Juliana, dan kon hij zijn instemming en zijn blijdschap nauwelijks voor zich houden. Vaak is, niet altijd helemáál ten onrechte, vaak onaardigs over prins Hendrik gezegd. Dat kwam vooral doordat de mensen hem niet kenden. Hij heeft letterlijk geleefd "in de schaduw van de troon". Een eenzaam man, zeer tegen zijn zin strikt gehouden aan het protocol en aan de voorschriften van zijn vrouw, die daarin niets ongewoons zag. Maar zij, die nader kennis met hem hebben kunnen maken, zoals onder anderen de leden van de hofhouding, mochten deze eenvoudige man, die niet de behoefte had op te vallen. De moeilijkheden die er waren, kwamen duidelijk voort uit hun zeer verschillende opvoeding. Als eerste prins-gemaal heeft prins Hendrik het spits moeten afbijten en dat was moeilijk. ![]() 7-02-1901: Huwelijksplechtigheid in de Jacobskerk te 's-Gravenhage Want ook koningin Wilhelmina had niemand die haar met eigen ervaringen uit een overeenkomstige situatie met adviezen kon bijstaan. In de dagen na zijn dood (1934) werd er zoveel positiefs over prins Hendrik gezegd en geschreven, dat dit de koningin verbaasde. Tegen leden van haar hofhouding zou zij toen hebben gezegd dit niet te hebben verwacht en niet te hebben geweten dat haar man zoveel vrienden had. Als jonge vrouw heeft Wilhelmina altijd heel sterk het gevoel gehad dat ze in haar vrijheid werd belemmerd. Eenmaal koningin, zocht zij al snel naar wegen om meer armslag te krijgen. Dat prins Hendrik haar daarbij steunde, bewijst onder andere de manier waarop hij hun dochter opvoedden. Achteraf lijkt het misschien allemaal niet zo revolutionair wat Wilhelmina op dat gebied deed, maar we moeten het plaatsen in de tijd waarin ze leefde, om haar daden op de juiste manier in te kunnen schatten. Bij haar pogingen zich uit "de kooi" te bevrijden, durfde Wilhelmina het aan het verzet van mensen uit haar omgeving te negeren. Ook al bleef het aanvankelijk bij oppervlakkige schermutselingen en ging ze nauwelijks in op de diepere oorzaken van de weerstand die ze ondervond. Daarvoor was ze toen ook nog te jong. Degenen die haar in "de kooi" wilden houden, gaven bijvoorbeeld alleen berichten aan haar door, waarvan ze vonden dat Wilhelmina ze beslist moest weten. Al het andere, hoe belangrijk ook, werd haar verzwegen vanuit de goedbedoelde wens haar onkundig te laten van wat er werkelijk in het volk omging. "Dit was voor mij onaanvaardbaar, schreef Wilhelmina zelf. Ze begon zich eenzaam te voelen. Dolgraag zou ze de mensen hebben ontmoet zoals ze werkelijk waren, niet zoals ze mooi opgetut op het paleis verschenen. Ze hunkerde naar contacten van mens tot mens en begon na te denken over de diepere oorzaken van haar isolement. Pas toen ze die doorzag, ging ze zich een beeld vormen van hoe het zou kunnen zijn. Maar ook toen wist ze meestal niet hoe ze haar wensen in de werkelijkheid kon omzetten. Bij een officiëel bezoek lukte het soms een uurtje vrij te maken voor een wat ongedwongener contact. Bij een kijkje in een nieuwbouwwijk bijvoorbeeld, verzocht ze een paar oude én enkele nieuwe woningen te mogen zien, om zelf verbeteringen te kunnen bekijken. Zonder begeleiding ging ze dan naar binnen, om echt met de bewoners te kunnen praten. Na een ramp zocht ze de getroffenen thuis op en gaf de mensen de kans haar van hun ellende te kunnen vertellen. Wij, die het al bijna gewoon vinden dat prinses Juliana in Baarn kan winkelen zonder dat de mensen voor de winkel blijven staan, kunnen ons nauwelijks voorstellen dat Wilhelmina het contact met haar medemensen langs zulke omwegen tot stand moest brengen. Om haar volk te leren kennen organiseerde Wilhelmina bijvoorbeeld bijeenkomsten met mensen uit de meest uiteenlopende kringen en beroepen. Die kregen dan het uitdrukkelijk verzoek openhartig over bepaalde situaties te praten en eerlijk hun kijk te geven op bestaande verhoudingen. Bij dit verlangen om met Nederland in contact te komen, ging de godsdienstig opgevoede Wilhelmina onder meer uit van de gedachte dat zij handelde volgens Gods wil. Dat Hij een eerlijke en waarachtige verhouding wenste tussen de ene en de andere mens. Al zag ze, jong als ze was, ook in dat de tijd nog niet helemaal rijp was voor de openheid die ze nastreefde. Koningin Emma, in haar ouderlijk huis vertrouwd gemaakt met wat wij tegenwoordig "sociaal werk" noemen, was na haar komst op Het Loo begonnen zich te interesseren voor het wel en wee van de gezinnen van de koninklijk personeel. Nadat zij van Het Loo vertrokken was, nam haar dochter die taak van haar over. Na haar huwelijk breidde dit werkterrein zich nog uit, doordat het aantal werknemers toenam. Omdat Wilhelmina te weinig tijd had om de taak die ze op zich had genomen op verantwoorde manier te kunnen doen, zocht en vond zij iemand die haar kon vertegenwoordigen, namens haar de gezinnen bezocht en haar eventuele wensen en behoeften van de bezochten overbracht. Allereerst bleek het nodig de hygiënische toestand van de huizen te verbeteren. Om zieken te kunnen verzorgen, en mensen die dit nodig hadden geestelijk bij te staan, kwamen er "zusterhuizen", die bemand werden met zusters, die het vertrouwen van hun dorpsgenoten hadden. Daarnaast kwam er een gemeenschapshuis, waar cursussen werden gegeven waaraan bij de mensen behoefte bleek te bestaan. Hier werd dus degelijk hulp geboden en werden misstanden bij de wortel aangepakt. In die tijd moet dit op de betrokkenen diepe indruk hebben gemaakt. Aanvankelijk financierde koningin Wilhelmina dit alles zelf. Maar omdat zij vond dat de mensen medezeggeschap moesten hebben, en omdat zij hun belangstelling voor de getroffenvoorzieningen wilde wekken, liet ze hen later zelf iets in de kosten bijdragen. Door dit werk leerde koningin Wilhelmina, zoals zij zelf later zou schrijven, in het klein problemen kennen die overal in de maatschappij speelden. Vooral ook door haar bezoeken aan zieken. Daar ontdekte ze dat stoffelijke hulp weliswaar nodig was, maar dat veel mensen bijna nog meer behoefte hadden aan geestelijke steun. "Voor mijzelf heb ik veel te danken aan het geduld en het geloofsvertrouwen en de overgave, die mij tegemoet kwamen bij die bezoeken en in de gesprekken die wij voerden. Het ging mij gelijk menig ander die bij het verlaten van een zieke of anderszins zwaar getroffene innerlijk rijker wegging dan zij kwam", schrijft zij in "Eenzaam maar niet alleen".
Hoewel Nederland buiten de Eerste Wereldoorlog bleef, had die ook voor ons land consequenties. Voor de koningin betekende het een totaal isolement. Door haar ambt altijd al verplicht tot de uiterste discretie, moest ze nu helemaal erop bedacht zijn dat uit haar doen en laten gevolgtrekkingen konden worden gemaakt ten aanzien van Nederlands neutraliteitspolitiek en ontwikkelingen in de oorlogvoerende landen. Aan de ene kant moest het volk zoveel mogelijk daarbuiten worden gehouden; daarentegen moest soms juist de aandacht worden gevestigd op één bepaald aspect. Kleine, onbelangrijke dingen konden de sfeer onder de mensen bepalen. Bijvoorbeeld wanneer geruchten de kop op staken dat ons land gevaar liep bij de oorlog betrokken te worden. En op zich weinig opzienbarende geste van de koningin, kon dan de verwachte geruststelling brengen. Zo'n gebaar was - om een voorbeeld te noemen - het wandelingetje dat ze maakte van het paleis Noordeinde naar haar moeders huis aan het Lange Voorhout. Uit het feit dat de koningin niet de koets nam, maakten de mensen op dat zij het kennelijk niet bijzonder druk had en er dus van de geruchten wel niets waar zou zijn. Een positief resultaat. Maar het bewijst hoe voorzichtig Wilhelmina moest zijn. Onmiddellijk na aankomst in Den Haag was ze begonnen het huishouden daar terug te schroeven naar een soberder peil. Officieren die geschikt waren voor actieve dienst, verdwenen uit de persoonlijke dienst van de koningin en gingen terug naar leger of vloot. Hierdoor vielen veel ceremoniële taken weg. Het uitgedunde "hofpersoneel" bestond nu uit enkele dames en wat officieren die niet voor actieve dienst in aanmerking kwamen. Een verandering die een definitief einde betekende van "de kooi". In het paleis was de gang van zaken nu van een sobere doelmatigheid die was aangepast aan de eisen van de tijd. Bij alle zorgen om de handhaving van onze neutraliteit kwam in 1916 ook nog een grote watersnood Nederland teisteren. Het IJsselmeer was toen nog de Zuiderzee en daar was het dat de grote slagen vielen. Onder de plaatsen die hun dijken zagen bezwijken of overspoelen, waren Spakenburg en Bunschoten; Marken stond onder water. De provincie Noord-Holland liep verder onder dan iemand zich had kunnen voorstellen. Tot aan de Zaan, en hier en daar zelfs tot aan de duinrand, was het één grote watervlakte. Zelfs het lager gelegen deel van Utrecht ontkwam niet aan het water. Met prins Hendrik trok koningin Wilhelmina naar het getroffen gebied. Zij verdeelden de taken. Hij regelde de hulpverlening door het Rode Kruis terwijl de koningin andere plaatsen bezocht. Want geen enkel door de ramp geteisterd dorp mocht worden overgeslagen. Die eerste dagen na de overstromingen had Wilhelmina haar hoofdkwartier in Amsterdam en voer met een bootje over het onder water staande land. In Marken en Spakenburg waren in de nacht van de grote verschrikking onder primitieve, angstaanjagende omstandigheden kindertjes geboren. De jonge moeders hadden de nacht doorgebracht op een balk onder het dak van hun overspoelde huis. De koningin werd hierdoor zo getroffen, dat ze de baby's als haar petekinderen aannam. Tot haar dood is zij in contact gebleven met de Spakenburgse Aartje Wilhelmina Vedder en Lijsje Wilhelmina van Riel uit Marken. Na de oorlog ging er ook voor Wilhelmina veel veranderen. Geleidelijk werd ze zich ervan bewust dat ze haar optreden naar buiten, haar huishouden, de relatie met de mensen in haar omgeving aan de tijdsomstandigheden zou moeten aanpassen. En aan de denkwijze van die tijd. Ze zag in dat het goed is wanneer een koningin haar volk hierin voorgaat. Koningin Wilhelmina probeerde dit te doen door ieder overbodig uiterlijk vertoon te vermijden. Ze deed wat in haar vermogen was om in contact te komen met alle lagen van de bevolking en de werkomstandigheden, wensen, gevoelens en denkwijze van de mensen te leren kennen. Omdat was gebleken dat het ceremoniëel dit contact in de weg stond, moest dit voortaan grotendeels achterwege blijven. De naoorlogse economische situatie in het land was niet bepaald rooskleurig en Wilhelmina wilde alles vermijden wat de mensen zou kunnen irriteren. Daarom beperkte zij recepties en andere officiële ontvangsten tot het allernoodzakelijkste. Al evenzeer betrokken bij het lijden van de bevolking was zij toen in 1929 de crsistijd begon. Juliana studeerde toen nog. Maar toen haar promotie eenmaal een feit was, werd zij in 1931 ere-presidente van het Nationaal Crisis Comité, door haar zelf geïnstalleerd. Dit stelde zich ten doel de talloze slachtoffers van de crisistijd steun te verlenen. Sociaal voelend als Juliana was, zag zij dit niet als zo maar een erebaantje, maar vatte zij haar opdracht ernstig op. Dat ze zelf ook van aanpakken weet, bewees ze onder andere door op het hoofdkantoor waar te nemen tijdens ziekte van een bediende. Koningin Wilhelmina had het recht zelfstandig beslissingen te nemen en dat deed ze, al had dit soms vreemde gevolgen. Was ze bijvoorbeeld tegen het ontslag van een minister, dan weigerde ze; in het omgekeerde geval zorgde ze dat een minister verdween die haar niet beviel. Van haar frustratie over de manier waarop de werkloosheidsbestrijding door de regering werd aangepakt, getuigt dit opmerkelijke commentaar van haar hand: ![]() Overstroming in Gelderland (1926) de koningin wordt naar een boot gedragen "Helaas, degenen die deze moeten bewerkstelligen waren daar niet rijp voor (...) Het ontbrak hen, die tot een snelle zakelijke oplossing moesten geraken, aan imaginatie en durf, aan doortastendheid en voortvarendheid en aan de werkelijke wil om een oplossing te vinden. Een ware steen des aanstoots was, dat men zich niet los kon maken van het slome tempo van de bureaucratie en dat de ambtelijke hiërarchie zo traag werkte bij het wegnemen van beletselen, wanneer particulieren bereid waren aan de bestrijding van de werkloosheid mede te werken en met objecten kwamen". Je krijgt het gevoel dat koningin Wilhelmina letterlijk heeft zitten popelen om tussenbeide te komen. In die jaren ging haar aandacht in de eerste plaats uit naar maatregelen om de werkloosheid te bestrijden en de levensomstandigheden van de getroffen mensen te verbeteren. Ook de gang van zaken bij Defensie beviel Wilhelmina allerminst. Van het Nederlandse leger had ze weinig verwachtingen en de oorlog gaf haar gelijk. Woedend was ze toen er na drie dagen gecapituleerd moest worden en onder fel protest vertrok ze naar Engeland. Toch klonk het zo berustend: "Nadat volstrekt zeker was geworden dat wij en onze ministers in Nederland niet langer vrijelijk konden voortgaan met de uitoefening van het staatsgezag, moest het harde maar noodzakelijke besluit worden genomen de zetel der regering te verplaatsen naar het buitenland. (...) De regering bevindt zich thans in Engeland. Zij wenst een regeringscapitulatie te voorkomen". Gedeelte uit de proclamatie van koningin Wilhelmina, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog toen zij na Nederlandse capitulatie in Londen was aangekomen. Het was lang niet de laatste boodschap die koningin Wilhelmina vanuit Engeland naar het bezette Nederland stuurde. Nauwelijks was ze in Londen, of ze had het al razend druk met werk, dat wel heel erg verschilde van dat wat ze gewend was te doen. Voor haar was het vooral van het grootste belang dat ze op de hoogte bleef van de politieke en militaire situatie van het moment en de toestand van Nederland in het algemeen. Daarnaast moesten vriendschapsbanden onderhouden en versterkt worden met de verschillende staatshoofden. Daar ging veel tijd in zitten. Na enkele maanden waarin ze totaal afgesneden was van de Nederlandse bevolking, begonnen er druppelsgewijs berichten binnen te komen. Later ging dit sneller, al bleef het voor de koningin moeilijk zich een duidelijk beeld van de situatie te vormen. Pas toen Engelandvaarders uit bezet gebied overkwamen, werd dit beter. Zij brachten niet alleen een levend stuk Nederland, maar ook de ware verzetsgeest! Nu ze beter georiënteerd was, vond Wilhelmina het nodig haar onderdanen te laten weten welke koers ze na de oorlog dacht te varen. Zolang er geen andere wegen waren, zou dit gebeuren via radio-uitzendingen. Langs strikt grondwettelijke weg werd via Radio Oranje de mogelijkheid geschapen bezet Nederland een lichtpuntje in het vooruitzicht te stellen. Concrete voorstellen bevatten de radioberichten niet. De opzet was vooral Nederland voor te bereiden, in afwachting van het einde van de bezetting. Daarnaast probeerde Wilhelmina de Nederlanders te inspireren, te stijven in hun verzet. Op die manier heeft ze inderdaad veel kunnen bijdragen aan het moreel van de mensen in bezet gebied, voor wie haar uitzendingen steeds een steuntje in de rug waren. Met haar toespraken bereikte ze werkelijk haar doel. Toen in 1945 de bevrijding in zicht kwam, leefde ze vanuit de verte van uur tot uur intens mee met wat er aan de overkant van Het Kanaal gebeurde. Tot laat in de avond stond haar radio aan. De dienstdoende wachtmeester moest het onmiddellijk melden wanneer hij iets hoorde dat haar zou kunnen interesseren. Zodra zich een kans voordeed naar het bevrijde zuiden van Nederland te gaan, greep ze die gelegenheid aan. Vergezeld van baron Baud, voor deze reis gemilitariseerd en benoemd tot kolonel, en van een wachtmeester van haar wacht-detachement overschreed Wilhelmina op 13 maart 1945 bij het plaatsje Eede te voet de Nederlandse grens. De tweede keer dat ze naar Nederland terugkwam, gebeurde dit voorgoed. De oorlog was voorbij. Voor haar een erg emotionele belevenis, die aan een drukke periode voorafging. Want toen bleek hoe belangrijk de koningin, ook tijdens haar afwezigheid, voor Nederland was geweest. Aan de verwelkomingen leek geen einde te komen. Had Wilhelmina na de Eerste Wereldoorlog het roer moeten omgooien en haar leven moeten aanpassen aan de veranderde omstandigheden, nu was de omschakeling nog veel ingrijpender. Er verdween nog meer van het ceremonieel. En de verbondenheid met degenen die samen met haar de terugkeer naar normale omstandigheden voorbereidden, was nóg groter dan toen. Pas na de overgangsperiode tussen de oorlog en het weer normaal geworden leven, merkte Wilhelmina dat het regeren te veel van haar vergde. Haar taak omvatte meer dan vóór de oorlog en zijzelf was ouder. Toch wilde ze Juliana niet te jong belasten met de verantwoordelijkheid van haar taak. Haar dochter moest zich zo lang mogelijk kunnen geven aan haar gezin. In 1947, ze was toen 67 jaar, maakte zij Juliana tijdelijk regentes, om haar gelegenheid te geven zich een indruk te vormen van het ambt. Na de afgesproken termijn nam Wilhelmina de regering weer over. Maar in 1948 zou ze 50 jaar geregeerd hebben en ze voelde zich niet meer opgewassen tegen de rompslomp van een regeringsjubileum. Daarbij kwam dat er in hetzelfde jaar verkiezingen zouden zijn, met de daaraan verbonden vermoeienissen en spanningen van een kabinetsformatie. ![]() 8-11-1962: De witte uitvaart van prinses Wilhelmina En tenslotte wilde ze in geen geval de indruk wekken, dat ze op de troon wilde blijven tot haar jubileum was gevierd. Juist zij niet, die de wet had ondertekend die de leeftijdsgrens vaststelt voor de werkende mens. Een wet die er openlijk rekening mee houdt dat de ouder wordende mens niet meer over zijn vroegere werkkracht beschikt. Dit gaf mede de doorslag. Nog voor ze 68 werd, wilde Wilhelmina afstand doen. Opnieuw werd Juliana tot regentes benoemd. Dit had het voordeel dat de toekomstige koningin zou regeren met een kabinet dat tijdens haar regentschap was geformeerd. En voor Wilhelmina betekende het onder meer dat de feestelijkheden beperkt werden tot een viering in Den Haag en één in het Amsterdamse stadion. Bovendien stond dit laatste niet alleen in het teken van haar afscheid, maar was tegelijkertijd een welkom voor de nieuwe koningin. Nadat Wilhelmina op 12 mei mei 1948 via de radio haar voornemen aan de bevolking had kenbaar gemaakt, volgde op 4 september in de Mozeszaal van het paleis op de Dam haar abdicatie. Een korte eenvoudige plechtigheid. In de herinnering van hen die op de bewuste dag het gebeuren hebben gevolgd, zal vooral het moment voortleven waarop de oude en de nieuwe koningin op het balkon van het paleis verschenen, terwijl de menigte ademloos toekeek.Nadat Wilhelmina had meegedeeld dat zij was afgetreden, stelde zij Juliana officieel voor als koningin van het Nederlandse volk en eindigde met een enthousiast en ontroerd: "Leve de koningin!" Bij het zien van de gaande en komende koningin was het publiek dat zich op de Dam verdrong in een daverend gejuich losgebarsten. Menigeen liet zijn tranen de vrije loop. En prins Bernhard zou jaren later zeggen: "Ik was toen zo geëmotioneerd, dat ik tranen in mijn ogen kreeg. Eén van de weinige keren in mijn leven". De eerste van drie krachtige Oranje-vorstinnen trok zich terug. Vermoeid door de vele spanningen en een tamelijk heerzuchtig leven. Bij haar terugkomst uit Engeland was ze één en al dadendrang geweest. Toen bleek dat er in het bevrijde Nederland weinig over was van de geest van vernieuwing die het bij de bevrijding bezielde, was ze teleurgesteld. De vermoeidheid die ze voelde, was niet alleen van lichamelijke aard. |
