![]() |
Het was pas met de Franse Revolutie dat Oostenrijk zich meer ging richten op Hongarije; het Heilige Roomse Rijk hield op te bestaan in 1806, en de laatste keizer, de aartshertog van Oostenrijk, werd keizer van Oostenrijk. Met de stijgende invloed van Pruisen in de Duitse Bond (een confederatie van Duitse staten, ten koste van Oostenrijk, werd deze interesse nog aangewakkerd. De Hongaren zelf waren niet zo opgezet met hun unitaire staat Oostenrijk. In het revolutiejaar 1848 kwamen ze in opstand. Een opstand, die mede neergeslagen werd door Russische steun. Dit leidde, door de verzwakking van Oostenrijk door de opkomst van het Duitsland van Bismarck en Italië.
De Hongaren vroegen de erkenning van Hongarije als apart koninkrijk onder de heerschappij van de Habsburgers. De Hongaren kregen hun zin in 1867, toen door het Oostenrijks-Hongaars Compromis Frans Jozef niet alleen meer keizer was van Oostenrijk, maar ook koning werd van Hongarije. De Slavische volkeren in de monarchie werden in dit proces geheel buiten spel gezet.
Met het Oostenrijks-Hongaarse Compromis werd de gepriviligieerde positie van de Duitse en Hongaarse bevolkingsgroepen immers gecontinueerd en de bevolkingsmeerderheid in de dubbelmonarchie op een zijspoor gezet, hetgeen met name bij de Tsjechen op groeiende weerstand stuitte. De scheidingslijn werd niet de historische achtergrond (dus Bohemen samen met Hongarije), maar de rivier de Leitha. Oostenrijk (samen met ondermeer Bohemen, dat deel uitmaakte van Oostenrijk) werd Cisleithanië, Hongarije (inclusief Slowakije, Kroatië, Transsylvanië en de Banaat) werd Transleithanië.
De Hongaren kenden een zeer grote interne autonomie. Federaal werd het leger en buitenlandse zaken. Oostenrijk-Hongarije had echter voortdurend af te rekenen met communautaire kwesties, wat -ondanks de grote populariteit van Frans Jozef I- het rijk voortdurend verzwakte. Franz Jozef drong daarom verder aan op verdere decentralisatie, onder andere door de Slaven zelfbestuur te willen toekennen. Hierin werd hij tegengewerkt door de Oostenrijkse en Hongaarse elites, die uiteindelijk aan het langste eind trokken. Deze politiek werd ook gepromoot door de troonopvolger Frans Ferdinand, die in Sarajevo werd vermoord in 1914.
Deze moord was een katalysator in verschillende vijandelijkheden en bondgenootschappen, en veroorzaakte de Eerste Wereldoorlog. Oostenrijk-Hongarije stond aan de kant van Duitsland. Franz Jozef overleed in 1916, en werd opgevolg, midden in de oorlog, door kroonprins Karl. Maar Oostenrijk-Hongarije overleefde de oorlog niet. Het land viel uiteen in Tsjechoslowakije (de noordelijke Slaven), Joegoslavië (de zuidelijke Slaven), Oostenrijk, Hongarije; Transsylvanië viel toe aan Roemenië. Andere delen van het land gingen naar Polen (Galicië) en Italië (Zuid-Tirol, West-Slovenië, Istrië en delen van Dalmatië).
Oostenrijk was oorspronkelijk een unitaire staat, maar werd opgesplitst in twee delen in 1867. Deze politiek heet dualisme. Dit was nodig, omdat de Hongaren steeds nadrukkelijker om autonomie vroegen en de macht van het immense rijk taande. Deze politiek was zo succesvol om de minderheden te sussen, dat Franz Jozef ook pleitte om de Slaven autonomie te geven, en aldus tot een tripelmonarchie te komen. Deze politiek heet trialisme, dat mede verwoord werd door de aanhangers van het austroslavisme. Frans Jozef werd echter tegengewerkt door de Hongaarse en Oostenrijkse elites, die vreesden hun macht te verliezen ten gunste van de Tsjechen etc. Nochtans was vooral de troonopvolger Franz Ferdinand voorstander van het trialisme, en zelfs om Oostenrijk-Hongarije om te vormen tot een federatie van zestien deelstaten. Men neemt aan dat deze verdere decentralisatie zich zou hebben doorgezet indien het land was blijven bestaan.
Het land zelf was een zeer losse federatie, haast een confederatie. Buitenlandse politiek was een federale materie, net als het leger. Binnen hun grenzen hadden de Oostenrijkers en de Hongaren een zeer grote autonomie. Beiden voerden dan ook een zeer verschillende politiek. Oostenrijk kende aan zijn minderheden grote autonomie toe. De Tsjechen konden vrijuit hun taal spreken, werden er ook in onderwezen op eigen scholen en zelfs een eigen universiteit. Hongarije daarentegen voerde een zeer strenge magyariseringpolitiek door, die de Hongaarse taal en cultuur wilde opleggen in het hele gebied van het koninkrijk Hongarije, hoewel de Hongaren maar de helft van de inwoners waren van dat gebied. Enkel de Kroaten konden via het Hongaars-Kroatische Compromis van 1868 rekenen op een beperkte autonomie, maar dat akkoord werd al snel door de Hongaren opzij geschoven.
Deze communautaire twisten kenmerken het hele bestaan van Oostenrijk-Hongarije, en zou, zonder de Eerste Wereldoorlog uiteindelijk toch tot separatisme of een verdere decentralisatie hebben geleid. Oostenrijk-Hongarije was een multinationale staat, met verschillende etnische groepen op zijn grondgebied, hoofdzakelijk Duitsers, Hongaren, Italianen, Slaven en Roemenen. Van deze groepen hadden enkel de Duitsers-Oostenrijkers en de Hongaren reële politieke macht. Zoals reeds gezegd was Oostenrijk-Hongarije een dualistisch land. Oostenrijk was een keizerrijk (een voormalig aartshertogdom, dat na de val van het Heilige Roomse Rijk de keizerskroon hiervan kreeg), Hongarije was een koninkrijk.
