Koning en Keizerrijken  

Champollions reis naar Egypte

| Koninkrijken | Egypte | Jean-Francois Champollion |


Champollion
(1790-1832)
Als hij op 31 juli 1828 naar Egypte vertrekt, gaat Champollions grote droom eindelijk in vervulling. Zeventien maanden lang reist hij aan het hoofd van een Frans-Toscaanse wetenschappelijke expeditie het land door dat hij dan alleen nog uit de boeken kent. Champollion is razend enthousiast over het Egyptische volk, maar sdaarentegen stelt zijn eerste kennismaking met de faraonische monumenten hem zeer teleur. Zou hij het vertrek naar 'zijn' beloofde land te lang voor zich uit hebben geschoven.

Jean-Francois Champollion heeft een paar jaar nodig om de organisatie, de fondsenwerving en de benodigde vergunningen voor deze wetenschappelijke expeditie, die financieel werd ondersteund door koning Karel X en de Toscaanse groothertog Leopold II, rond te krijgen. Uiteindelijk bereikt hij met hulp van zijn vele vrienden en de inzet van zijn goede contactuele eigenschappen zijn doel. Nu moet hij een geschikt moment afwachten. Sinds de thuiskomst van de Napoleontische expeditie in 1800 woedt in het Oostelijke Middellandse-Zeegebied, dat door de Engelsen gecontroleerd wordt, onophoudelijk oorlog. In Egypte neemt de onrust toe als gevolg van de rivaliteiten tussen Turken en nationalisten.

Op 2 juli 1827 legt Champollion zijn 'Plan voor een literaire reis door Egypte' voor aan Karel X. Een plan in 20 punten waarvan hij al sinds 1826 droomt. Twee jaar lang heeft hij stevig doorgewerkt. Alles is tot in detail voorbereid. Over alles is nagedacht, de route, de bevoorradingsproblemen, de voortgang van het onderzoek en de werkzaamheden. Hij heeft zelfs voorraden papier, schriften, potloden en penselen aangelegd! Op 26 april 1828 geeft de koning eindelijk zijn goedkeuring aan het plan. Nu kan Champollion het buitengewoon verlof van 14 maanden opnemen waarom hij had gevraagd en zijn functies als conservator van de Egyptische afdeling van het Louvre tijdelijk neerleggen. Champollion is op de hoogte van alles wat een wetenschapper uit die tijd over Egypte kan weten.

Toch laat hij niet na bij iedereen die de reis al eens ondernomen heeft advies te winnen en neemt hij zelfs de onbeduidendste tips ter harte. In zijn bagage zitten verslagen van de leden van de napoleontische expeditie en van reizigers als de mineraloog Frédérick Cailliaud of architect Jean-Nicolas Huyot, die hem op deze reis trouwens zal vergezellen.


Mohammed Ali houdt audiëntie in zijn paleis in Alexandrië.
De francofiele Egyptische onderkoning stelde alles aan het
werk om de onderneming van Champollion te vergemakkelijken

Champollion vertrekt op 16 juli uit Parijs en scheept op 31 juli in Toulon in. Zijn Toscaanse vriend en leerling Ippolito Rosellini vergezelt hem, net als een groep ervaren wetenschappers. Onder de Franse deelnemers zijn de tekenaar Nestor Lhote, de schilder Duchesne Sr, Lehoux en Bertin, twee leerlingen van de schilder Antoine Gros. De Toscaanse afvaardiging onder leiding van Rosellini bestaat uit de uit Pisa afkomstige schilder Giuseppe Angelelli, de architect Gaetano Rosellini, de tekenaar en arts Alessandro Ricci, en de Florentijnse naturalist Giuseppe Raddi. Tijdens de 18 dagen durende overtocht aan boord van de korvet Églé, gaat Champollion al aan het werk. Vol overgave wijdt hij zijn reisgenoten in in de beginselen van het Arabisch en het hiërogliefenschrift.

Op 18 augustus komt de expeditie in de haven van Alexandrië aan. Het terrein is voorbereid door de Franse consul Drovetti die uitstekende contacten met Mohammed Ali, de onderkoning van Egypte, onderhoudt. Dankzij zijn tussenkomst beschikken Champollion en zijn reisgenoten in korte tijd over de benodigde vergunningen om vrij in het land te reizen en opgravingen te kunnen doen, twee grote schepen om over de Nijl te varen en gewapende begeleiding, zelfs inclusief een kanon.

Champollion is in de wolken als hij eindelijk op zijn bestemming is aangekomen. Hij was in Frankrijk tenslotte degene die om het hardst herhaalde dat het leek 'alsof hij in dat land geboren was'. Al in 1806 verkondigde hij tegen iedereen die het horen wilde dat geen enkel volk 'de Egyptenaren uit zijn hart kon verdrijven'. Daar brachten de warmte en de levensvreugde van de Alexandrijnen hem in vervoering. Champollion is zelfs zo met de faraonische beschaving bekend dat hij onmiddellijk na aankomst in 'zijn' land de plaatselijke gewoonten en gebruiken overneemt. Hij spreekt uitsluitend nog Arabisch, de taal van het volk, kleedt zich op z'n Egyptisch met een tulband, een galhabieh, een kaftan en baboesjes en laat zijn baard staan. In grote tegenstelling tot de romantische reizigers die hem zijn voortgegaan, voelt hij zich solidair met het gewone volk.


De tekenaar Nestor Lhote op een schets van Duchesne
uit 1829 was een van de deelnemers aan de Franse expeditie

Hij strijdt voor de zaak van het volk en spreekt zich openlijk uit tegen de onderdrukking waaraan Mohammed Ali de Egyptenaren onderwerpt In september ontdekt Champollion de Nijl en zijn vallei. In een brief aan zijn broer maakt hij hem deelgenoot van de overweldigende indruk die het landschap op hem maakt.

'Ik kan me vanaf nu de vreugderoes voorstellen van de Arabieren uit het Westen, die als ze in Alexandrië de zandvlakten van de Lybische woestijn achter zich laten en in de canopische vertakking arriveren, aangenaam verrast worden door het zich op de delta waar de begroeiing zich als een groen tapijt uitstrekt, en waar allerlei soorten bomen groeien, waarboven de honderden minaretten zich verheffen van de talloze dorpen die her en der over dit land van zegeningen verspreid liggen. Het zicht is werkelijk betoverend en de reputatie die het Egyptische platteland heeft, is in geen enkel opzicht overdreven. De rivier is immens en de oevers zijn schitterend'.

Vervolgens gaat de reis naar de necropool van Sakkara en het plateau van Gizeh. Na vele jaren wachten en dromenbrengt de confrontatie met de werkelijkheid bij Champollion niet de verwachte schok teweeg. De eerste ontmoeting met de piramiden is teleustellend. Hij heeft het idee dat hij in die faraonische monumenten niet 'zijn' Egypte herkent. Toch laat de egyptoloog zijn plezier niet bederven en gaat hij onmiddellijk aan het werk. Als hij deze eerste teleurstelling heeft verwerkt, kan de ontdekking van Midden-en Boven-Egypte voor hem alleen maar aangrijpender zijn.

De grote piramide: wat een teleurstelling!


Na alle verhalen die hij er van de Antieken en van tijdgenoten over had gehoord, had Champollion zich een droomvoorstelling van de Grote Piramide gemaakt! Als hij op 19 september 1828 eindelijk op zijn bestemming aankomt, is het voor hem bijna een koude douche. Het graf van Cheops is helemaal niet wat hij zich ervan had voorgesteld. 'Hoe dichterbij je komt, hoe minder het zien van het prestigieuze monument je doet, schrijft hij aan zijn broer.

Ik onderging het zelfs een beetje als een vernedering toen ik zonder ook maar iets van verbazing te voelen op vijftig passen afstand het bouwwerk zag waarvan je alleen als je de afmetingen weet de immensiteit beseft. Je moet het monument echt met eigen handen aanraken om je te realiseren hoe gigantisch groot het geheel en hoe gigantisch groot de rotsblokken zijn die je dan ziet... Kom je nog dichterbij (...) dan lijkt de grote Piramide niet meer dan een doodordinair bouwsel...

De frisse tint van de stenen wekt de indruk dat het om een gebouw in aanbouw gaat en helemaal niet om een bouwwerk dat doorgaat voor een van de oudste monumenten dat ooit door mensen is opgericht'.

In Midden-en Boven-Egypte is Champollion diep onder de indruk van de pracht van de monumenten. Op de belangrijkste archeologische vindplaatsen vindt hij bevestiging van zijn arbeid. Zijn 'vertaling' van de hiërogliefen klopt helemaal. Hij is de eerste in een tijdsbestek van vijftien eeuwen die erin slaagt de hiërogliefen en alle inscripties uit de faraonische periode te ontcijferen en te begrijpen.

Als Champollion aan het hoofd van een Frans-Toscaanse expeditie in Alexandrië aankomt, is hij erg enthousiast over de inwoners en het landschap van Egypte. Maar zijn eerste kennismaking, in Sakkara en Gizeh, met de monumenten uit de faraonische periode is tamelijk teleurstellend. Toch vergaat het hem vanaf november 1828 in Dendera, Thebe en Aboe Simbel heel anders. De archeoloog is diep onder de indruk van zoveel schoonheid en historische schatten en gaat als een bezetene aan het werk.


Kopie van de schilderingen in het graf van Ramses IV in het
Dal der Koningen waar de expeditie vijf maanden werkte

De expeditie blijft vijf maanden in Karnak. In de necropool worden opgravingen en metingen verricht van de belangrijkste tempels en grote graven. In Karnak-wordt Champollion overmand door de schoonheid van de gigantische tempel-zaal.

'Wij Europeanen zijn maar Lilliputters; er is geen enkel antiek noch modern volk dat de architectonische kunst op zo'n sublieme manier heeft vormgegeven, zo groots en grandioos als de oude Egyptenaren. De verbeelding die, in Europa, tot ver boven onze portieken uitstijgt, valt in het niet bij de 140 zuilen in de hypostylzaal van Karnak'.

De eerste drie maanden van 1829 brengt de expeditie in Nubië door, vervolgens reist men terug naar Luxor om daar zes maanden lang systematisch onderzoek te verrichten. Maar de schuchtere aanbidder van het eeuwige Egypte is niet tevreden als hij alleen maar verwonderd kan kijken naar de plaatsen waarvan hij de geschiedenis op zijn duimpje kent. Onophoudelijk houdt hij toezicht op het werk van de tekenaar uit zijn team die onvermoeibaar de bas-reliëfs kopiëren, zoals die uit de graven vam Beni Hassan of de tempels van Aboe Simbel. Met Rosellini begint hij aan een systematische inventarisatie van de rijkdommen van Boven-Egypte.

'Ik heb de hele dag besteed aan het in het net uitschrijven van de inscripties op de historische schilderingen zodat ze kunnen worden ingevoegd in de tekeningen waartoe ze behoren zonder de talrijke fouten en verdraaiingen die in de al bekende tekeningen zijn gemaakt', schrijft hij op 11 januari 1829 in zijn Reisverslag.

Overal leest, vertaalt, inventariseert en kopieert Champollion de meest uiteenlopende teksten in hiërogliefenschrift. Ondertussen blijft hij ook bezig met het ontcijferen van de Egyptische taal. Iedere avond brengt hij de nieuwe tekens die hij die dag ontdekt heeft onder in zestien verschillende rubrieken. Sinds hij in Egypte is heeft hij zich eindelijk kunnen vergewissen van de juistheid van zijn interpretatie van de hiërogliefen, zoals hij die in 1822 officieel in de openbaarheid had gebracht. Eind 1828 bevestigt hij dat bij zijn leermeester Bon-Joseph Dacier, als hij die zijn nieuwjaarswensen overbrengt.


Reproductie van de tempel van Dendera

'Nu ik de Nijl ben afgereisd van de monding tot de tweede cataract, heb ik alle recht u mee te delen dat we in onze lettre sur l'alphabet des hiéroglyphes geen enkele wijziging hoeven door te voeren; ons alfabet is goed; het is feilloos van toepassing op zoel de Egyptische monumenten uit de tijd van de Romeinen en de Lagiden als, en dat is van veel groter belang, op de inscripties van alle tempels, paleizen en graven uit de faraonische perioden'.

Champollion is opgetogen dat hij 'voor de vuist weg Egypte kan lezen'. Naast de voorwerpen die hij uit de verdeling van opgravingen mee naar Parijs brengt, koopt Champollion een honderdtal voorwerpen aan om de collecties van het Louvre aan te vullen. Hij gebruikt hier al het geld voor dat op de expeditiekosten is uitgespaard. De manier waarop de fervente verdediger van de schatten van Egypte in deze te werk gaat, is exemplarisch. Maar één enkele keer kan de egyptoloog de verleiding niet weerstaan. Met Rosellini maakt hij twee stukken bas-reliëf los uit de muur van het graf van Seti I, waarvan er nu een in het Louvre en een in Florence wordt bewaard. Na de terugreis aan boord van de Astrolabe komt Champollion eind december 1829 in de haven van Hyéres aan.

'Mijn veldtocht is dus ten einde, mijn beste vriend, en hij heeft zowel aan jouw als aan mijn verwachtingen voldaan,vertrouwt hij zijn broer toe. Ik heb Egypte stap voor stap doorreisd en ik heb overal stilgestaan waar de tijd sporen van de grootsheid uit het verleden nagelaten had'.

Begin maart 1830 is Champollion in Parijs. Speciaal voor hem wordt aan het Collége de France een leerstoel archeologie gecreëerd. In mei wordt hij op grond van de eer die hij met zijn reis heeft ingelegd, gekozen tot lid van de Académie des Inscriptions et des Belles-Lettres. Nauwelijks een jaar later, op 4 maart 1832 sterft Champollion die 'werk voor een heel leven had verzameld'. Tot zijn grote spijt heeft hij de studie die hij over zijn geliefde Egypte aangevangen had, niet kunnen afmaken. En heeft hij nooit gezien hoe de Place de la Concorde werd verfraaid met de beroemde obelisk die aan Frankrijk aangeboden werd als dank voor de diensten die hij het land van de farao's bewees. Wat Champollion tijdens zijn reis door Egypte verzameld heeft, is gigantisch.


Jean-Francois Champollion ligt begraven
op begraafplaats Cimetière du Père Lachaise, Parijs, Frankrijk

Net als zijn manuscripten. Zijn broer Jaques-Joseph geeft ze later uit. Na het overlijden van de ontdekker van het hiërogliefenschrift publiceert hij La Grammaire égyptienne en Le dictionnaire égyptien en écriture hiéroglyphique. Les Monuments d'Égypte et de Nubie (dat tussen 1835 en 1845 verschijnt) is voor de reis van Champollion, ook al betreft dat werk slechts een enkel onderzoeksgebied, maar dat even nauwgezet en waarheidsgetrouw behandelt, wat de Description de l'Égypte is voor de expeditie van Napoleon Bonaparte.

Het behoud van het Egyptische erfgoed


Champollion maakt zich zorgen. De Egyptische monumenten lopen gevaar. Op 12 november 1829 stuurt hij onderkoning Mohammed Ali een inventarislijst van de opgravingsterreinen-hij noemt zowel die die onlangs zijn leeggeroofd als die die beschermd zouden moeten worden-samen met een notitie over de te volgen procedure om deze, in zijn ogen uiterst belangrijke taak uit te voeren. De egyptoloog neemt het op voor het erfgoed en verwijst naar 'een ontwikkeld Europa dat het diep betreurd dat een groot aantal antieke monumenten de laatste jaren is vernield, zonder dat er een spoor van over is gebleven...

De monumenten zijn voor eens en altijd verloren en dat is iets dat grote ongerustheid veroorzaakt over het lot dat de overige monumenten te wachten staat... Heel Europa zou u, Hoogheid, zeer erkentelijk zijn als u een actief beleid zou willen voeren om het behoud te garanderen van de tempels, paleizen, graven en alle andere monumenten die nog getuigen van de macht en de grootsheid van het oude Egypte, die tegelijkertijd de mooiste ornementen van het hedendaagse Egypte zijn. De grootste verwoestingen (...) worden door de fellahs aangericht, die dat doen in hun eigen voordeel of, en dat is vaker het geval, die daarvoor door antiekhandelaren worden omgekocht.

De in de rotsen uitgehouwen of geschilderde grotten die bijna dagelijks worden ontdekt (...) worden bijna onmiddellijk nadat ze zijn geopend, vernield, uit onwetendheid en hebzucht van de speurders en hun handlangers. Het is de hoogste tijd om de vernielingen een halt toe te roepen. Het belang van de monumenten voor de wetenschap wordt er voortdurend door geschaad en nieuwsgierige reizigers worden in hun verwachtingen teleurgesteld... Het zou goed zijn als voor de opgravingen strenge regels zouden gelden, zodat het behoud van de tempels die nu en in de toekomst worden ontdekt volledig wordt gegarandeerd en ze voor ontwetendheid en blinde hebzucht worden gevrijwaard'.



| Koninkrijken | Egypte | Jean-Francois Champollion |


terug naar boven