De stadhouder stierf en de diepbedroefde weduwe besloot onmiddelijk
![]() "Ouderwets en lelijk", zei koning Lodewijk Napoleon onmiddellijk toen hij (18 juni 1806) Huis ten Bosch in ogenschouw nam. Hij was het op Saint Leu, zijn schitterende buitengoed bij Parijs, heel wat beter gewend geweest. Nu was na de omwenteling van 1795 dat Huis ten Bosch wel grondig ontluisterd, en de nieuwbakken koning kwam inderdaad terecht in een wat uitgewoonde gribus. De zogenaamde "Leidse Vleugel" van het paleis was (1800) ettelijke jaren in gebruik geweest als herberg, en daarbij was het niet gebleven: tegen betaling kon men zich er in die tijden ook van vrouwelijk gezelschap voorzien, en het Huis ten Bosch was dus toen verworden tot een Huis van Lichte Zeden. Er vielen overigens ook andere genoegens te beleven. De grote zaal en het kabinet met schitterend en uniek Japans lakwerk konden er door kunstminnende worden bezichtigd, maar dat kostte wel zes stuivers per persoon. Oorspronkelijk zou het Huis ten Bosch een eenvoudig zomerverblijf zijn geworden: wat kamers, gegroepeerd rond een koepelzaaltje. Het was niet de (prachtlievende) stadhouder Frederik Hendrik die het wilde bouwen maar zijn vrouw Amalia van Solms. Ook zij wenste wél enige statie om zich heen en na twee jaar bouwen waren "het huys, tuyn ende grachten in 't bossche" nog steeds niet klaar. Dat was in 1647. De stadhouder stierf en de diepbedroefde weduwe besloot onmiddellijk haar bouwwerk een andere bestemming te geven: het moest een gedenkteken worden, geheel gewijd aan de nagedachtenis van haar diep betreurde gemaal. Héél indrukwekkend,natuurlijk, en dat betekende dat de bouwkosten (8500 gulden voor het terrein, 48.000 gulden voor het zomerhuis) met nog een goede 3000 gulden werden verhoogd. Voor dat bedrag moest er aan het gebouw een koepelzaal worden gebouwd. De inrichting van het paleis kostte een veelvoud van die bedragen: Amalia hield ervan zich te omringen met kunstwerken, en de wanden en de koepel van de zaal moesten volgens haar aanwijzingen worden voorzien van schilderingen, uitgevoerd door bekende kunstenaars uit haar tijd: Salomon de Bray, Jacob Jordaens en Gerard Honthorst. Een moeilijk karwei overigens, want de artiesten dienden zich volstrekt te houden aan de zeer precieze aanwijzingen van de prinses, die hun door haar adviseurs (Constatijn Huygens en Jacob van Campen) werd overgebracht. Alles werd met een buitengewone luxe ingericht. De wanden van de kamers werden bespannen met damast en satijn, voor de betimmeringen werden alleen de kostbaarste exotische houtsoorten gebruikt. Die "Groene Salon" is de oorspronkelijke "Bedtcaemer" van haar illustere voorgangster Amalia geweest. Maar koningin Beatrix heeft zich niet veroorloofd wat Amalia van Solms nog de gewoonste zaak ter wereld vond: de hoge weduwe liet haar gebruiksvoorwerpen uitsluitend in goud uitvoeren: gouden flessen, gouden vaatwerk, en gouden sleutels voor de particuliere vertrekken. Amalia leefde tot haar dood (1675) in dit als mausoleum bedoelde buitenhuis. Ook daarna werd het wel als zomerverblijf gebruikt, maar eerst had stadhouder Willem III er een werkelijk grandioos feest gegeven met bal na (1686), en dat was zo'n ingrijpende gebeurtenis dat Den Haag er nog jaren over gepraat heeft. Later viel Huis ten Bosch aan stadhouder Willem IV toe. Hij vond de accomodatie veel te bescheiden en er werden twee zijvleugels aan het zomerhuis gebouwd: de Leidse vleugel en een Haagse vleugel. Er kwamen ook nog allerlei extra verfraaiingen tot stand. In 1772 werd op Huis ten Bosch - de naam was langzamerhand ingeburgerd - het erfprinsje geboren dat later de eerste koning Willem zou worden. En die koning Willem I had er tijdens zijn regering heel wat voor over om dit fraaie paleisje te bewonen. Het pand was van het Rijk, maar de vorst diende inrichting en onderhoud zelf te betalen. Tot zijn troonsafstand in 1840 heeft hij vrijwel elke zomer op Huis ten Bosch doorgebracht. Voor de liefhebbers is er aan de koepel van het Huis ten Bosch nog een fraai verhaal verbonden: Volgens een oude overeenkomst diende - aldus de overlevering -tussen die koepel en het Voorburgse buiten Vleugel en Rust altijd een strookje land onbebouwd te blijven. Verklaring: daardoor was het voor een der Willemen op Huis ten Bosch mogelijk om met een in de paleiskoepel opgestelde verrekijker na te gaan of een op het Voorburgse buiten toevende en zeer geliefde dame wellicht visite ontving van "heeren met pseudo-literaire bedoelingen". In 1877 kwam het Huis ten Bosch leeg te staan. Jaren achtereen was het bewoond geweest door koningin Sophie, die het maar buitengewoon slecht kon vinden met haar koning Willem III die weer paleis Het Loo als verblijf had gekozen. Een ongelukkig huwelijk met een ongelukkig slot: de drie zoons zijn jong overleden. Koningin Wilhelmina, grootgebracht op Het Loo, kon later ook al niet veel waardering voor het toen sterk vervallen Huis ten Bosch opbrengen. Later schreef ze over haar komst (1914): "Het was er meer kamperen dan wonen; we waren gelukkig wanneer we per kamer een olielamp konden bemachtigen..." In de Tweede Wereldoorlog werd Huis ten Bosch zwaar beschadigd. Er vond na 1950 een bijzonder kostbare restauratie plaats, maar koningin Juliana bleef liever op Soestdijk wonen. Wel werden op Huis ten Bosch nogal wat officiële ontvangsten gehouden en ook werd het paleis later geregeld gebruikt voor haar overleg met ministers. In 1974 begon een volgende en ingrijpenderenovatie om van Amalia's zomerhuis een permanent bewoonbaar verblijf te maken. Toen koningin Beatrix en haar gezin zich er tenslotte konden vestigen had de ingreep bijna 25 miljoen gulden gekost. |
