![]() Het oude Rome groeide van een aantal bergdorpjes uit tot een machtig rijk dat zich over het hele Middellandse-Zeegebied uitstrekte. Ondanks de soms wrede gewoontes en gewelddadige oorlogen heeft de Romeinse beschaving een enorme invloed gehad op de geschiedenis. Volgens hun eigen overlevering stamden de Romeinen af van Aeneas, een Trojaan die was gevlucht nadat de Grieken zijn geboortestad hadden ingenomen en vernietigd. De stad Rome zou zijn gesticht door Romulus, een van de tweelingzonen van Mars, de god van de oorlog. In werkelijkheid stelde Rome aanvankelijk niet meer voor dan een aantal dorpen op bij elkaar gelegen heuvels. Die dorpen klitten langzamerhand samen en kwamen tot bloei vanwege hun gunstige positie langs de handelsroutes die door Italië liepen. In 510 v. Chr. verdreven de Romeinen hun laatste koning, Tarquinius Superbus, en stichten een republiek. Na een bijna 200 jaar durende klassenstrijd tussen de patriciërs (aristocraten) en de plebejers (volk) werd stabiliteit bereikt in de vorm van een grondwet. De door aristocraten beheerste senaat maakte de meeste wetten en nam ook de meeste beslissingen. Twee consuls waren de feitelijke leiders van de republiek. De volksvergadering koos elk jaar nieuwe consuls, maar dit orgaan kon gemakkelijk worden overgehaald om aristocratische kandidaten te kiezen. Daarom waren het eigenlijk alleen de twee volkstribunen die de belangen van het volk behartigden. In de praktijk zorgden compromissen ervoor dat het volk zich bewust bleef van zijn saamhorigheid en gemeenschappelijke verantwoordelijkheden, een van de sterke punten van het republikeinse Rome. De Romeinen konden zodoende een confederatie van volkeren vormen in de vlakte van Latium, en de Etrusken, Samnieten en Galliërs verslaan. ![]()
Het geheim van hun succes was onder andere de buitengewone mildheid waarmee ze hun bondgenoten en verslagen tegenstanders behandelden. Op den duur verleenden ze hen het Romeinse staatsburgerschap. Het aantal Romeinen nam dus toe naarmate er meer veroveringen werden gedaan. In plaatst van dat ze alsmaar meer ongedurige onderdanen in bedwang moesten houden, werden de Romeinen juist steeds sterker. Tegen 272 v. Chr. heerste Rome over het hele Italiaanse schiereiland. De Romeinen hadden samengewerkt met de Carthagers om de Griekse steden in het zuiden te ontwerpen en de Griekse koning Pyrrhus van Epirus uit Sicilië te verdrijven. Vervolgens vochten Rome en Carthago 23 jaar lang om het eiland. Carthago, een Noordafrikaanse handelsmacht, was nu de belangrijkste rivaal van Rome wat betreft de opperheerschappij over het westelijke Middellandse-Zeegebied. De Romeinse legioenen-nog steeds grotendeels burgerlegers-behaalden successen, maar de strijd werd pas beslist toen de Romeinen ook een krachtig oorlogsvloot hadden gebouwd. Aan het einde van de oorlog stond Carthago Sicilië af en kort daarop nam Rome Sardinië en Corsica in bezit. Dit was nog maar de eerste fase van een conflict waarbij Rome tot het uiterste op de proef zou worden gesteld. De Carthagers stichten een nieuw rijk in Spanje en vonden een nieuwe bevelhebber in de zeer bekwame Hannibal. Zijn vader had hem eeuwige haat jegens Rome laten zweren. Toen er opnieuw oorlog met Italië uitbrak, ondernam Hannibal een gewaagde tocht over de Alpen met een leger dat onder meer bestond uit Afrikaanse oorlogsolifanten.
Ze veroverden Spanje en vielen Noord-Afrika binnen. Toen Hannibal werd teruggeroepen uit Italië, werd hij verslagen bij Zama (202 v. Chr.) en gaf Carthago zich over. Om er zeker van te zijn dat ze nooit meer zouden worden uitgedaagd, maakten de Romeinen in 146 v. Chr. het hulpeloze Carthago met de grond gelijk. In de loop van de 2de eeuw v. Chr. kwamen Macedonië, Griekenland, Pergamum, Klein-Azië en de zuidkust van het huidige Frankrijk onder Romeinse heerschappij. Het door facties verscheurde Egypte bleef in naam onafhankelijk, maar was in feite onderhorig aan Rome. De Middellandse Zee werd een 'Romeins meer'. Expansie op zo'n grote schaal was een zware belasting voor het Romeinse volk. Het politieke stelsel was bedoeld voor een stadstaat en werd met veel moeite aangepast aan de behoeften van een groot rijk. De steeds rijker wordende 'middenklasse' van ridders verzette zich tegen het machtsmonopolie van de aristocratie. Als gevolg van de Romeinse oorlogen werd een groot aantal slaven naar Italië gehaald. Slavenarbeid was goedkoper, wat ertoe leidde dat veel boeren noodgedwongen van het platteland naar de stad trokken, waar ze overigens wel hun onvrede lieten blijken. Ook de vrije Italianen werden onrustig, omdat aan hen nog niet het Romeinse staatsburgerschap was verleend. Bovendien nam door het grote aantal slaven de mogelijkheid van een opstand tegen de slavernij toe. Dat alles resulteerde in een periode met ingewikkelde politieke twisten waarbij steeds meer onrechtmatig geweld werd gebruikt. ![]()
De moord op de hervormingsgezinde broeders Gracchus vormden de aanleiding voor het oprichten van oppositiepartijen, zoals de aristocratische optimaten en de meer volkse partij van de populares. Conflicten tussen deze partijen droegen flink bij aan de ondermijning van de republiek. In de 1e eeuw v. Chr. brak er in Rome daadwerkelijk een burgeroorlog uit tussen de aanhangers van Marius en Sulla. Marius was een man van relatief lage komaf die naam maakte door zijn succesvolle campagnes in Noord-Afrika en tegen gevreesde barbaarse indringers. Hij behoorde tot de volkspartij, zijn rivaal Sulla tot de optimaten. De situatie werd nog ingewikkelder toen er een opstand uitbrak van de Italiaanse bondgenoten van Rome. Deze zogenaamde bondgenotenoorlog (91-88 v. Chr.) was pas afgelopen toen ze allen het Romeinse staatsburgerschap kregen. Na de dood van Marius riep Sulla zichzelf uit tot dictator (82 v. Chr.). Hij voerde een aantal rigoureuze zuiveringen door, reorganiseerde de staat en versterkte de rol van de senaat. Sulla's maatregelen werden al snel na zijn dood ongedaan gemaakt. Zijn twee belangrijkste opvolgers, de briljante generaal Pompejus en de zeer vermogende Crassus, behaalden grote successen. De senaat was bedacht op de ambities van Pompejus en Crassus en zette hen aan om een alliantie (het eerste triumviraat, 60 v. Chr.) te sluiten met de schrandere politicus Julius Caesar. Het triumviraat trok zoveel rijkdom en macht naar zich toe, dat het de republiek min of meer kon inrichten zoals het dat zelf wilde.
Ondertussen werd het evenwicht binnen het triumviraat verstoord toen Crassus in Klein-Azië werd verslagen en gedood door de Parthische vijand van Rome. Pompejus sloot een alliantie met de senaat, waarna de zich bedreigd voelende Caesar in 49 v. Chr. met zijn veteranenleger Italië binnenviel. De burgeroorlog die daarop volgde, breidde zich over het hele Middellandse-Zeegebied uit. Na de oorlog-in 45 v. Chr.-werd Caesar dictator van Rome, maar hij werd al een jaar later vermoord. Dit had weer een reeks oorlogen tot gevolg. De partij van de senatoren, die werd geleid door Brutus en Cassius, werd verslagen door het tweede triumviraat, waarvan Octavianus (Caesars neef en aangenomen zoon), Marcus Antonius en Lepidus deel uitmaakten. Lepidus werd vermoord en uiteindelijk vochten Octavianus en Antonius tegen elkaar. Antonius en diens vrouw Cleopatra, koningin van Egypte, werden bij Actium verslagen (31 v. Chr.) en zo bleef Octavianus over als heerser van de Romeinse wereld. Octavianus, beter bekend onder zijn latere titel Augustus, was de eerste Romeinse keizer. De republiek werd overigens nooit afgeschaft. Augustus oefende een aantal rechtmatig verkregen functies tegelijkertijd uit, waardoor hij gezag over zowel de staat als het leger had. De senaat en andere traditionele instellingen bleven gewoon voortbestaan. Augustus regeerde efficiënt en zijn legers verlegden de grenzen van het rijk tot aan de Donau. Zijn opvolgers-Tiberius, Caligula, Claudius en Nero-regeerden daarentegen op verderfelijke wijze. Ze kenden niet de ingetogenheid van Augustus en gedroegen zich vaak als tiran. Over het geheel genomen maakte het rijk een bloeiperiode door dankzij de Pax Romana (Romeinse vrede), de Romeinse wetten, de Romeinse wegen en de grote kennis die de Romeinen hadden van bouw en techniek. ![]()
Het verlenen van het Romeinse staatsburgerschap aan de volkeren van de verschillende provincies kwam de stabiliteit van de Romeinse maatschappij ten goede. Minder bewonderenswaardig was het beleid van 'brood en spelen', waarbij de gem,akzuchtige stadsbevolking tevreden werd gehouden met amusement in de vorm van gladiatorspelen en andere moordzuchtige spelletjes. De opvolgers van Augustus volgden in grote lijnen zijn advies op om het rijk niet verder uit te breiden. Een uitzondering hierop was de verovering van Brittannië, die in het jaar 43 was begonnen tijdens de regeerperiode van Claudius. Nero (54-68) was de laatste keizer die familie was van Caesar en Augustus, ook al werd 'Caesar' als titel gehandhaafd. In het bloedige 'jaar van de vier keizers' (69) bleek hoe zwak de heerschappij van één man was zodra zich meerdere titelpretendenten aandienden. De uiteindelijke winnaar, Vespasianus, herstelde de orde en won aan populariteit door allerlei publieke werken te laten bouwen, waaronder het Colosseum. De flavische dynastie (Vespasianus, Titus, Domitianus) eindigde in het jaar 96 met de moord op Domitianus. Het daaropvolgende tijdperk van de Antonijnen (96-192) wordt vaak gezien als een soort gouden eeuw, waarin werd geregeerd door 'de vijf goede keizers' (Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antonius Pius en Marcus Aurelius). Een belangrijk kenmerk van deze periode was dat iedere keizer een opvolger aanwees die geen direct familielid was, maar gewoon de meest bekwame persoon was. Onder de veroveraar-keizer Trajanus werd het Romeinse rijk het grootste in omvang. ![]()
Het tij keerde echter toen Marcus Aurelius (161-180) zijn eigen zoon Commodus aanwees als opvolger. Commodus bleek een tiran te zijn en toen hij werd vermoord kwam er een einde aan de lijn van de Antonijnen. De burgeroorlogen die ditmaal volgden, vormden slechts een voorbode van de desastreuze 3e eeuw die nog komen zou. |
