![]() (1659-1695) |
Hij was een leerling van de Engelse gezangencomponist John Blow, die hij in 1679/80 opvolgde als organist van de Westminster Abbey, een opmerkelijke benoeming voor iemand van zijn leeftijd. Zijn werk vertoont een interessante versmelting van de oude Elizabethaanse koortraditie met 'nieuwe' Italiaanse invloeden.
Purcell werd getraind als koorjongen in de Chapel Royal ten tijde van de Restoration onder koning Charles II, alwaar hij les kreeg van kapitein Henry Cooke, de jong gestorven Pelham Humfrey en John Blow, met wie hij een levenslange vriendschapsband had en die zijn post als organist van Westminster Abbey aan Purcell afstond, toen hij tot het inzicht was gekomen dat zijn leerling hem overtroffen had.
(Na de dood van Purcell nam Blow deze post opnieuw op tot zijn eigen dood in 1708; de twee liggen niet ver van elkaar begraven in Westminster Abbey, nabij het orgel dat ze zelf bespeeld hebben.) Het vroegste werk dat van Purcell bekend is, is een lied, Sweet Tyraness, I now resign, dat hij rond zijn achtste gecomponeerd moet hebben.
De vroege periode van Purcell bestaat vooral uit religieuze anthems, waarin hij een verbazingwekkende virtuositeit aan de dag legt en experimenteert met talloze speciale effecten, zoals verschuivingen van sleutels en het typisch Purcelliaanse "word painting": wanneer in de tekst bijvoorbeeld een woord als 'low' voorkomt, zet Purcell dit ook daadwerkelijk op een extreem lage noot, en vice versa met woorden als 'high'.
Belangrijke anthems uit de periode van de twintiger Purcell zijn My Beloved Spake, waarin hij vogelgezang nabootst, The Bell Anthem, met kerkklokimitaties, de kerstanthem Behold, I Bring you Glad Tidings, het erg archaïsche Jehova, quam multi sunt hostes mei, waarmee hij bewees de oude contrapuntische technieken van Thomas Tallis onder de knie te hebben, en I was Glad, voor de troonsbestijging van de dubbelmonarchie van William en Mary, na de Glorious Revolution, in 1689.
In recente tijden werd dit vroege repertoire herontdekt en integraal opgenomen door Robert King, die er veel bijval mee oogstte en een aantal belangwekkende prijzen in de wacht sleepte, waaronder de Gramophone Award. Naarmate Purcell meer toneelmuziek begon te componeren, verminderden zijn anthems in aantal. Hij werd een populair componist van welkomstliederen voor vorstelijke personen en lofzangen (odes), waarvan het eerste, Welcome, Viceregent of the Mighty King, reeds in 1680 geschreven werd.
Hij schreef in 1685 een kroningsgezang voor de kroning van Jaames II, My Heart is Inditing, en bespeelde het orgel tijdens de kroning van Willem en Mary in 1689. (Desalniettemin zijn van Purcell slechts vier korte orgelwerkjes bekend, de zogenaamde 'voluntaries'.) Hij schreef één volwaardige opera, Dido and Aeneas, alsmede vijf semi-opera's, een term die door de antiquair Anthony à Wood werd geïntroduceerd om te verwijzen naar een soort muziektheater waarin ook gesproken tekst voorkomt - in feite dus een opvolger van de masque.
Deze semi-opera's zijn The Prophetess, or the History of Dioclesian, King Arthur, or the British Worthy, The Fairy Queen, The Indian Queen en The Tempest, or the Enchanted Isle. De meeste van deze werken worden thans maar zelden uitgevoerd, (met de belangrijke uitzondering Dido and Aeneas, op een tekst van de drie jaar later tot Poet Laureate benoemde Ier Nahum Tate) en honderden liederen, waaronder vele op teksten van Abraham Cowley en een aantal van de jonge William Congreve.
Deze werden pas in de laatste decennia van onder het stof gehaald (niet zelden dankzij de toewijding van contratenor Alfred Deller). Daarenboven componeerde Purcell een groot aantal vaak obscene drinkliederen, de zogenaamde catches; hiervan is Pox on you het beruchtst, met de beroemde winden- en boerarrangementen. In 1695, het jaar van zijn eigen dood, schreef hij nog een gezang voor de rouwdienst van Koningin Mary.
Purcells vriendschap met de grote dichter John Dryden leidde vaak tot buitengewoon indrukwekkende en vruchtbare samenwerkingen. Zo leverde deze de tekst voor de patriottische semi-opera King Arthur, die ontelbare klassieke aria's opleverde en eveneens ronduit hilarische scènes met bijtende satire bevat. De aria "When I am Laid in Earth" uit Dido and Aeneas wordt altijd gespeeld bij de Engelse jaarlijkse nationale dodenherdenking.
Zijn verschillende Odes for Saint Cecilia's Day, zoals Welcome to all the Pleasures en Hail! Bright Cecilia, genieten tegenwoordig een hernieuwde belangstelling en worden van al zijn odes het vaakst uitgevoerd. Ze vallen op door een sterk melancholische gemoedsstemming, afgewisseld met zwaar bombastische kooreffecten. Hail! Bright Cecilia bezit een voor die tijd uitgebreid aantal koperblazers en slagwerk. Tevens introduceerde Purcell de trompet, die voorheen enkel voor militaire muziek gebruikt werd, in het theater.
Voorts vermeldenswaard zijn Purcells fantasia's, geschreven in een toentertijd reeds ouderwets idioom dat teruggrijpt naar de full consort-stijl van William Lawes en John Coprario, of de vedelfantasia's van Orlando Gibbons. Purcell ondernam blijkbaar zelfs geen poging deze werken uit te geven, in de wetenschap dat er geen publiek meer voor bestond.
Daarentegen ontbrak het niet aan belangstelling voor zijn Sonnata's of Three Parts en Sonnata's of Four Parts, die sterk de richting van de Italiaanse muziek opgingen, ofschoon met name Arcangelo Corelli de werken bekritiseerde; hieruit mag blijken dat ze desondanks nog invloeden van de oude Engelse traditie vertoonden. Ook als klavecinist moet Purcell gegeerd geweest zijn: getuige hiervan een in 1993 ontdekt manuscript met klavecimbellessen van de hand van Purcell en Giovanni Battista Draghi.
We weten bovendien dat Händel, nadat hij zich in Londen had gevestigd en met de muziek van Purcell, die toen reeds geruime tijd overleden was, in contact was gekomen, niets dan lof voor deze man had. De werken van Purcell zijn gecatalogeerd door Zimmermann en hebben als volgnummer dus steeds een Z. Na Purcells dood bundelde zijn weduwe, Frances Pieters, diens populairste liederen en instrumentale stukken in de collectie Orfeus Britannicus; dit is een bijnaam die Purcell klaarblijkelijk al tijdens zijn leven genoot en vormt een bewijs voor zijn status.
