

|
Opstanden, burgeroorlogen, tronen die gewonnen en verloren werden-de 17de eeuw is een van de meest dramatische perioden uit de Britse geschiedenis. Politieke en religieuze troebelen bleven voortdurend, tot de Glorious Revolution (Glorierijke Revolutie) van 1688 een durzame oplossing inluidde. Koningin Elizabeth I, de laatste van de Tudors, stierf kinderloos in 1603. De Engelse troon ging over op haar naaste verwant, James VI van Schotland, die nu James I van Engeland werd en de eerste Stuart op de Engelse troon. Nu Schotland en Engeland eindelijk geregeerd werden door dezelfde koning, leek het waarschijnlijk dat er aan hun eeuwenlange vijandschap op den duur een einde zou komen. Het bleven echter twee afzonderlijke landen, elk met zijn eigen parlement en zijn eigen wetten, en James' hoop op een volledige integratie ging niet in vervulling. Het was James die als eerste de term 'Groot-Brittannië' gebruikte om zijn uit Engeland, Wales en Schotland bestaande koninkrijk mee aan te duiden. In een van de eerste jaren van de regering van James (1605) deed een groep katholieke samenzweerders een poging om zowel de koning als het parlement op te blazen. Dit was het beruchte 'buskruitcomplot', dat eindigde met de arrestatie van Guy Folkes en een aantal anderen. Ondanks dit slechte begin waren de katholieken geen groot probleem voor James, al bleven zij een nauwelijks getolereerde en achtergestelde minderheid.
De Kroon was vaak gedwongen om het parlement om een subsidie in de vorm van belastingen te vragen, wat betekende dat de parlementsleden de koninklijke politiek konden bespreken en 'tegemoetkoming aan grieven' (hervormingen en congressies) konden eisen als prijs voor het toekennen van subsidies. Er ontstonden scherpe discussies over de vraag welke politieke beslissingen behoorden tot het koninklijk prerogatief (de speciale volmachten die hem alleen toekwamen) en welke besproken en bekritiseerd konden worden door het parlement. Dat soort disputen was begonnen in de latere regeringsjaren van koningin Elizabeth I, toen de financiële middelen van de Kroon uitgeput begonnen te raken door de lange oorlog met Spanje. Elizabeths prestige had haar in staat gesteld om de situatie onder controle te houden, maar James had minder geluk en minder tact. Hij beriep zich op 'het goddelijk recht van koningen' dat vorsten een soort goddelijke autoriteit verleende, maar het was onmogelijk om die autoriteit op te leggen omdat de Kroon zwak was, en dergelijke opvattingen irriteerden de parlementsleden alleen maar. Bovendien joegen zowel James als zijn zoon Charles I hun onderdanen tegen zich in het harnas door hun afhankelijkheid van charmante maar onpopulaire gunstelingen, zoals de hertog van Buckingham (die werd vermoord in 1628).
De conflicten werden steeds talrijker en de nieuwe leiders die zich aanbieden, zoals Sir John Eliot, waren steeds minder bereid tot concessies. Er dreigden ook goddienstige geschillen, want in de Kerk van Engeland stonden verschillende groeperingen vijandig tegenover elkaar. Charles I gaf de voorkeur aan een relatief ingewikkelde vorm van eredienst (soms laudisme genoemd, naar zijn raadsman William Laud, de aartsbisschop van Canterbury) die door zijn critici werd beschouwd als een sinistere stap in de richting van het Rooms katholicisme. Die verdenkingen werden nog verstrekt door het feit dat de Franse vrouw van Charles, koningin Henriëtta Maria, katholiek was. Veel protestanten hadden totaal andere ideeën en wilden de kerk zuiveren (vandaar de term puriteinen, zuiveraars). Deze zuivering betekende meestal een versobering van de eredienst en het aannemen van strikt calvinistische doctrines. Maar er waren ook meer radicale protestantse groeperingen, zowel binnen de Kerk van Engeland als daarbuiten. Charles slaagde erin om dat te doen tijdens wat zijn vijanden 'de elf jaren van tirannie' noemden (1629-1640), geadviseerd door de graaf van Stafford en aartsbisschop Laud. Ondanks bezuinigingen slaagde de Kroon er alleen in om te overleven door vergeten koninklijke rechten te doen herleven en de wet aan te passen.
Zonder parlement dat als centrum van verzet kon dienen, leek het niettemin mogelijk dat Charles er op den duur in zou slagen om een absoluut koninklijk gezag te vestigen. Maar toen maakte hij de fout om verwikkeld te raken in een oorlog die onvermijdelijk gepaard zou gaan met hoge kosten, en die kon de Kroon niet opbrengen. Aangemoedigd door Laud probeerde Charles om episcoscopie (bestuur van de kerk door bisschoppen) op te leggen aan Schotland, waar het presbyteriaanse systeem diep geworteld was. (Niet priesters of bisschoppen, maar ouderlingen uit de gemeente bestuurden de kerk). In een spontane opwelling van nationalisme sloten de Schotten zich aaneen, tekenden een document dat bekend staat als het Nationale Convenant, en grepen naar de wapenen. In de 'Bisschoppenoorlog' van 1639-1640 slaagde Charles er niet in om zijn doelen te bereiken en putte hij zijn financiële reserves uit. Het 'Lange Parlement' maakte van de afhankelijke positie van de koning gebruik om van Strafford en Laud af te komen (beiden werden later geëxecuteerd), en nam een aantal wetten aan die het opleggen van willekeurige belastingen verboden en de macht van de koning beperkten. Charles stemde noodgedwongen in met deze wetten die de kans op koninklijkabsolutisme beperkten: ze bleven tijdens alle troebelen van de 17de eeuw gehandhaafd en behoorden tot het belangrijkste was het Lange Parlement wist te bereiken. In 1640 werd Charles, die buiten zijn eigen hof bijna geen steun meer had, vrijwel hulpeloos. ![]()
Maar door het radicalisme van enkele parlementaire leiders begon de gematigde stemming om te slaan. Dit bleek duidelijk toen de 'Wortel en Tak Partij' in het parlement, geleid door John Pym, probeerde om een presbyteriaans systeem op te leggen aan de Kerk van Engeland. Grote aantallen episcopalen zochten steun bij Charles I, en er ontstond een grote koningsgezinde partij. Het conflict kwam tot uitbarsting toen er een katholieke rebellie uitbrak in Ierland. Pym en zijn medestanders wilden wel een leger uitrusten om de rebellie neer te slaan, maar waren bang dat de koning het leger ook tegen hen zou inzetten; een niet onredelijke angst gezien Charles gebrek aan scrupules bij het verdedigen van wat hij als zijn rechten zag. Pyms aandringen op parlementaire controle over het leger was een schending van het traditionele recht van de koning om het commando te voeren. Charles reageerde hierop met een onverstandige en mislukte poging om vijf van zijn grootste tegenstanders in het Lagerhuis te arresteren. ![]()
Dit was openlijk gebruik van geweld, en kort daarna brak de burgeroorlog uit. In het begin van de Engelse Burgeroorlog (1642-1646) leek een royalistische zege nog mogelijk. Maar op den duur kreeg het parlement de overhand, dat de rijkste en dichtbevolkte delen van het land cotroleerde. In 1643 gingen ook de Schotten aan de kant van het parlement aan de oorlog meedoen. Toen de strijd feller werd, werd er uit de Engelse godsdienstige radicalen en fanatiek en toegewijd leger gevormd. Daarin bevond zich een uitstekend leider, Oliver Cromwell, wiens grote militaire gaven al duidelijk waren tegen de tijd dat de burgeroorlog eindigde met de overwinning van het parlement. Het parlement had geen oorlog gevoerd om de monarchie omver te werpen, maar om Charles te verhinderen zijn macht te misbruiken. Toen de oorlog voorbij was, begonnen er onderhandelingen met de gevangengenomen koning. Charles speelde een gevaarlijk spel door beloften af te wisselen met uitvluchten en ondertussen te proberen de meningsverschillen tussen zijn vijanden uit te buiten. ![]()
Uiteindelijk sloot hij in december 1647 een geheim verdrag met de Schotten die een invasie van Engeland voorbereiden. De Engelse royalisten maakten van de gelegenheid gebruik door in opstand te komen, maar werden weer verslagen. Tijdens de slag van Preston in augustus sloeg Cromwell de Schotten terug, waarmee in feite aan de Tweede Burgeroorlog een einde kwam. Het leger had de situatie nu bijna geheel onder controle en besloot om Charles te straffen. Toen het parlement de neiging vertoonde om weer met de koning te onderhandelen, wenden er troepen gestuurd om de onbetrouwbare leden te verwijderen ('Pride's Purge'); de overgebleven minderheid werd het 'Rompparlement' genoemd. In januari 1649 werd Charles door een speciaal hof berecht, wegens hoogverraad veroordeeld, en onthoofd. Engeland werd een republiek die bekend staat als de commonwealth (1649-1660) Cromwell versloeg zowel de Ieren als de Schotten, waarmee de Britse eilanden voor het eerst onder één gezag kwamen.
De Commonwealth werd door Cromwell bijeengehouden, maar viel uiteen na zijn dood in 1658 onder zijn opvolger en zoon Richard. Onder veel vreugdebetuigingen over het einde van het militaire gezag werd de zoon van Charles I in 1660 als Charles II (1660-1685) tot koning gekroond. Het parlement werd hersteld in de positie die het in 1641 had, maar het was nu koningsgezind en stond vijandig tegenover religieus radicalisme. Baptisten, Presbyterianen, Onafhankelijken en andere sekten die weigerden om zich aan te passen aan de Kerk van Engeland werden streng gestraft. Deze zogenaamde Dissenters of Nonconformists konden geen parlementslid worden of een officieel ambt bekleden. Net als de katholieken moesten zij genoegen nemen met een ondergeschikte rol in het Engelse openbare leven. Na 1670 ontstonden er weer conflicten tussen koning en parlement. Het scherpste conflict betrof James, hertog van York en broer en erfgenaam van de kinderloze Charles II. James had zich bekeerd tot het katholicisme dat nog steeds door de meeste protestanten werd gehaat en gevreesd, en dit leidde tot pogingen van het parlement om hem van de troon uit te sluiten.
Charles II was gewiekster dan zijn vader. Hij wist de crisis te doorstaan en liet een schijnbaar veilige troon na aan zijn broer. Maar James II (1685-1688) was tactloos en koppig en leek erop uit te zijn om zijn onderdanen koninklijk absolutisme en katholicisme op te leggen. Tory's noch Whigs wilden hem als koning, wat resulteerde in de Glorierijke Revolutie van 1688, waarbij James zonder bloedvergieten afstand moest doen van de troon ten gunste van zijn dochter Mary en haar Nederlandse echtgenoot Willem van Oranje. Met de Declaration of Rights (1689) ontstond een protestantse monarchie en een samenwerking tussen Kroon en parlement die duurzaam bleek. James, die gesteund werd door Frankrijk en veel aanhangers had in Ierland en de Schotse Hooglanden, bleef een bedreiging. Volgelingen van hem en zijn afstammelingen die bekend staan als Jacobieten (van Jacobus), kwamen in opstand in 1689-1690, 1715 en 1745. Willem en Mary (1688-1702) werden opgevolgd door James' tweede dochter, koningin Anne (1702-1714.) ![]()
|

