![]() Huize De Pauw in Wassenaar Lusthoven: eigenlijk zijn het de parken van de middeleeuwse kastelen, met veel genoeglijke wandel - en ruiterpaden, soms hier en daar een kast van een tuinhuis, of een enkele wat later toegevoegde romantische theekoepel. Paleis Korte Voorhout dat door prins Frederik werd bewoond had nauwelijks een tuin van enige allure. Toen zijn moeder was gestorven en de aanzienlijke erfenis was verdeeld, besloten hij en zijn jonge vrouw om zich maar meteen (1838) een ruim en van veel groen voorzien landgoed aan te schaffen. Een ware lusthof dus, bestaande uit landgoed de Pauw in Wassenaar plus het aanpalende zeer oude Raaphorst en de heerlijkheid ter Horst, ook al historisch gebied, waar in 1203 het kasteel van de graven van Leiden was gesticht. Terwijl het bezit nog verder werd uithebreid met de landgoederen Eikenhorst en Beckershagen liet prins Frederik een schitterend park van de tuin maken. Er kwam een Italiaanse tuin met marmeren beelden en vazen, met waterpartijen, een pergola en een koepel in Pompejaanse stijl. Ook waren er ommuurde plekjes voor de kinderen: hun eigen tuintjes. Het landhuis de Pauw werd voorzien van een aanzienlijke aanbouw en ook later zouden er nog uitbreidingen komen. Er kwamen onder andere een spiegelzaal en een balzaal bij. Het prinselijke gezin was bijzonder vaak op dit schitterende landgoed aanwezig. Er waren kwekerijen, stallen met paarden en pony's, rustige bossages, stille vijvers. Wél moest de prins bij tochten over het landgoed altijd een sleutel meenemen om de hekken aan de straatweg te openen en te sluiten: tussen de Raaphorst en de Pauw was destijds de route Den Haag - Leiden aangelegd. Elk huis heeft zijn kruis. In 1846 werd de jeugdige Frederik Junior - hij was negen jaar - tijdens gymnastiekoefeningen op het landgoed zo zwaar gewond dat hij kort daarop overleed. Toen zijn vader jaren later (1881) stierf, was op de Pauw nog steeds een gezellig ingericht speelvertrekje aanwezig: de jongenskamer van de kleine Frederik... In 1871 trouwde op de Pauw Frederiks dochter Marie met vorst Willem von Wied. Het landgoed waar ze zulke heerlijke herinneringen aan had - ze had onder andere een hertenhuisje op Groot Hasebroek - zou ze ook in de komende jaren nog vaak met haar gezin bezoeken. En daartoe werd in 1879 nog een vleugel met zeventien logeerkamers en salons aan het huis toegevoegd. In 1881 erfde prinses Marie deze buitengoederen. Haar bezoeken werden allengs zeldzamer en in 1903 kocht koningin Wilhelmina de "Horsten": Raaphorst, Eikenhorst en ter Horst. Ze werden opengesteld voor wandelaars en een enkele maal is er nog weleens een jachtpartij gehouden. Marie von Wied kon van de Pauw echter geen afstand doen; toen ze stierf (1910) was het nog in haar bezit, maar de erven maakten er korte metten mee: het werd verkocht aan een bouwonderneming en op de gronden van de Pauw verrezen nogal wat riant uitgevallen villa's. In 1924 kwam het landhuis de Pauw in bezit van de gemeente Wassenaar. Het heeft een waardige bestemming gekregen: sindsdien doet het dienst als raadhuis. De oude balzaal is nu raadzaal... De jongste zuster van koning Willem II en prins Frederik was een rusteloos reizigster: Marianne. Ze woont in Berlijn en in Rome, verblijft op Sicilië, doet opgravingen her en der in Italië, gaat naar Egypte, Syrië, Palestina, weer terug naar Italië waar ze in Rome de schitterend op de helling van de Mons Coelius gelegen villa Celimontana koopt. Ze heeft ook een huis aan het Comomeer, de villa Carlota, is dan weer te vinden op haar bezittingen in Polen en Silezië en keert bij tijd en wijle even terug naar Voorburg, waar ze zich de buitenplaats Rusthof aan de Vliet heeft aangeschaft. Voor haar gevolg - ze is altijd met een tros personeel en bedienden op weg, inclusief een lijfarts en een kok, plus een wanhopig grote hoeveelheid bagage - koopt ze er daar drie kleine landgoederen bij. Wat drijft haar voort? Marianne, koppig, recalcitrant, eigenzinnig. Recht door zee en goedhartig. Wanneer ze, nog heel jong, op haar kinderboerderijtje op het Loo een zielig verhaal hoort over een door drank tot armoe vervallen gezin, weet ze haar vader te bewegen tot financiële hulp.
De zorgen begonnen, zoals zo vaak, met een huwelijk. In 1830 was ze getrouwd met prins Albert van Pruisen. De verbintenis vormt voor de jeugdige bon-vivant geen beletsel om zijn amoureuze avonturen openlijk en intens voort te zetten en Marianne, die daar steeds helser over wordt, krijgt her en der uit de eigen en de schoonfamilie de gezapige raad om zich bij die escapades maar neer te leggen. Albert begint zich tenslotte zelfs zwaar in de schulden te steken om aan de buitensporige verlangens van zijn liefjes te voldoen. Niét van mijn geld, moet Marianne eindelijk hebben geconcludeerd (haar bezittingen werden toen al op twintig miljoen gulden geraamd). Kort na de geboorte van haar dochtertje Alexandrina verlaat ze haar man voorgoed. Albert is opnieuw een verhouding begonnen, nu heel prozaïsch met de buurvrouw, Rosalie von Rauch, dochter van een Pruisische minister, en Marianne kondigt kort en goed aan dat ze nooit meer bij Albert zal terugkeren: ze wil scheiden. Dát is in die tijd ongehoord en onvoorstelbaar. Prinsessen en vorstinnen scheiden niet. Het Pruisische hof weigert verontwaardigd alle medewerking, koning Willem II, het eigenzinnige karakter van zijn zuster kennende, zal na veel tegenspartelen berusten, broer Frederik probeert diplomatiek een compromis te bereiken maar faalt. Marianne, niet meer gevangen in de stijve etiquette van de Pruisen, gaat met volle teugen genieten van de nu verworven vrijheid. Hoewel: echt vrij was ze nog niet. Nog steeds waren er de huwelijksbanden met Albert, en hij bleef volstrekt enkele medewerking aan een definitieve scheiding weigeren. Het bleef een langdurige en slepende affaire, niets voor de energieke en doortastende prinses Nassau-Oranje" zoals ze zich weer ging noemen. Kordaat als ze was heeft ze waarschijnlijk gekozen voor een uitermate afdoende oplossing, waarbij ze tevens de stem van haar hart volgde. Marianne had inmiddels in Voorburg de buitenplaats Rusthof gekocht (1848) en in 1849 annonceerde ze kalmpjes dat ze in verwachting was. De aanstaande vader was haar koetsier Johannes van Rossum. De Europese hoven waren met stomheid geslagen. Het schandaal werd nog veel groter toen Marianne bovendien aankondigde geen afstand van haar kind te zullen doen, zoals doorgaans te doen gebruikelijk was wanneer vorstinnen buitenechtelijke kinderen ter wereld brachten. Opnieuw ging ze op reis, en op 30 oktober 1849 werd op Sicilië haar zoon Johannes Willem geboren. Marianne had haar zin: de echtscheiding was inmiddels zeer schielijk (maart 1849) uitgesproken. En met Johannes van Rossum leefde ze, zoals dat gaat in zulke sprookjesachtige verhalen, nog lang en tamelijk gelukkig. Eén zware schaduw viel op hun bestaan: Hun zoontje, nauwelijks twaalf, overleed bij een aan zijn ouders gebracht kerstbezoek aan tyfus. Het was op het slot Reinhartshausen aan de Rijn bij Erbach, een vriendelijk gebouw van 28 kamers, waar ze in 1857 een museum had laten bijbouwen waar ze niet alleen haar oude Hollandse, Vlaamse en Italiaanse meesters had ondergebracht, maar ook creaties van tijdgenoten aan wie ze geregeld goed betaalde opdrachten gaf. Zoals bij zoveel Oranjes had Marianne een aanzienlijk zakentalent. Haar nazaten zouden tot de rijksten onder de Europese adel behoren.
In 1904 en 1907 verkochten de erven het Voorburgse bezit. De bebouwingen werden gesloopt en op de terreinen verrezen villa's. De schitterende schilderijencollectie van het museum Reinhartshausen is later midden in de crisisjaren geveild (ze zou nu, meer dan een halve eeuw later, honderden miljoenen meer waard zijn) en het gebouw is een hotel geworden. |
