Koning en Keizerrijken  

  De geschiedenis van het Belgisch koningshuis Saksen-Cobur

| Koninkrijken | België |

'Er zijn Walen, er zijn Vlamingen, maar er is slechts een Belg-Koning Boudewijn


Familiewapen België
Bovenstaande is een parafrase van wat Jules Destree in 1912 in een open brief aan Albert I schreef, daarmee uiting gevend aan een gevoel dat in heel België op die manier werd beleefd. De koning der Belgen is in feite een van de laatste, nog in leven zijnde symbolen van nationale eenheid, al brokkelt die in hoog tempo af. Misschien is het zinvol dit koninkrijk, dat door onverzoenlijke tegenstellingen uiteengerukt dreigt te worden, eens nader te bezien in het licht van de historische gebeurtenissen die sinds de revolutie van 1830 hebben geleid tot de geboorte van deze staat.

Belgisch Gallie reikte, tot de verovering door Caesar in 57 v. Chr. van de Seine tot de Rijn. In 843, toen de kleinzoons van Karel de Grote het gebied bij het verdrag van Verdun verdeelden tussen Frankrijk en Lotharingen,was daarmee het lot van België als staat op de grens van twee invloedssferen, namelijk de Romaanse en de Germaanse, bepaald. De graven van Vlaanderen waren gedurende de hele middeleeuwen leenplichtig aan de Franse koningen, terwijl Brabant, Henegouwen, Limburg en Luxemburg bij het Duitse Rijk bleven. Aan het eind van de 14-de eeuw trachtten de Bourgondische hertogen door de vereniging van 'De Lage Landen' hun droom te verwezenlijken om in het westen een groot rijk te stichten, maar het erfgoed van Karel de Stoute verviel na zijn dood aan het Habsburgse huis, en dus aan Karel V. De Reformatie bracht nieuwe problemen: de burgers en kooplui in Holland omhelsden het protestantisme, en in 1573 werden de calvinistische 'Verenigde Provincien' zelfstandig.


Koning Leopold I
(1791-1865)
Het Zuiden, nog steeds katholiek, bleef aan Madrid onderworpen. Deze scheiding zou grote gevolgen hebben: hier liggen de wortels van de latere koninkrijken Nederland en België.

In de 18-de eeuw namen de Oostenrijkse Habsburgers de verantwoordelijkheid over van hun Spaanse neven. Een golf van vrijheidszin overspoelde Europa na de gebeurtenissen van 1789 in Versailles en Parijs. De Brabantse omwentelingen maakten een eind aan de macht der Habsburgers. Op 11 januari 1790 riepen de Brusselse Staten Generaal de onafhankelijkheid uit der Verenigde Belgische Staten. In 1814 werd het toekomstige België, eerst deel van de Franse republiek, later van het Franse Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I van Oranje-Nassau, tezamen met Holland, de voormalige gebiedsdelen van de Habsburgers en het bisdom Luik.

België kon, onmachtig tot enig verzet, niets anders doen dan zijn woede inslikken. Opnieuw was het een Parijse revolutie die de Belgen prikkelde tot verzet en hun de moed gaf het juk van de overheerser af te werpen. In de Brusselse Muntschouwburg werd op de avond van de 25ste augustus 1830 'La Muette de Portici', een opera van Auber, opgevoerd. Deze opera was gebaseerd op een libretto van Scribe, waarin de revolte van Napels tegen de Spaanse overheerser wordt verheerlijkt. De overheersing van de Belgen door de Nederlanden geleek zozeer op wat hier verhaald werd, dat het publiek reageerde met relletjes die al snel een vervolg vonden in de stad. De Belgische bourgeoisie was door het lezen van Franse publikaties grondig vertrouwd geraakt met het liberale gedachtengoed, en koesterde al geruime tijd het verlangen koning Willem I, een overtuigd absolutist, ten val te brengen. De uode, religieuze tegenstelling tussen het protestantse Holland en het katholieke België scherpte op politieke eisen aan.

De toekomstige Willem II, troonopvolger, werd door zijn vader onmiddellijk met een leger van 6000 man op pad gestuurd om de orde te herstellen. Zijn missie mislukte, en nu verscheen op 23 september zijn broer Frederik Hendrik ten tonele in Brussel, ditmaal met een strijdmacht van 14.000 man. Na vier dagen van strijd werd het Hollandse leger gedwongen de stad te verlaten. Op de citadel van Antwerpen na, was België weer vrij. Op 4 oktober riep het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit. Een paar weken later, op 24 november, stemde het Belgisch Nationaal Congres, gekozen door notabelen, voor verwerping van de Nassau-dynastie. In januari van het jaar daarop hechtte tijdens de Conferentie van Londen een aantal grote mogendheden hun goedkeuring aan de stichting van een onafhankelijke Belgische Staat. Een nieuwe natie was geboren. Nu restte deze staat het zoeken van een soeverein. Het Congres liet in eerste instantie het oog vallen op de 16-jarige hertog van Nemours, tweede zoon van de Franse koning Louis-Philippe. Engeland verbood dit en Nemours aanvaardde de kroon niet: de Engelsen waren huiverig voor de gedachte dat eenzelfde familie de scepter zou zwaaien in zowel Parijs als Brussel. Op 4 juni 1831 brachten 152 afgevaardigden van de 196 die aanwezig waren bij het Congres hun stem uit op prins Leopold van Saksen-Coburg-Gotha.

Deze Leopold, 41 jaar oud, was de ideale kandidaat. Hij stamde uit een kleine familie van hertogen uit het zuiden van Duitsland en was getrouwd met de tragische prinses Charlotte, een Engelse troonopvolgster, die in 1817 in het kraambde was gestorven. Zijn nicht was niemand minder dan prinses Victoria, die in 1837 koningin van Engeland werd. Bovendien was de prins fervent francofiel, en onderhield hij zeer warme betrekkingen met Louis-Philippe. Na enige aarzeling-eerder had hij de koningskroon van Griekenland afgewezen-stemde hij erin toe de eerste koning der Belgen te worden.

Op 21 juli 1831 haalde Brussel met groots vertoon deze nieuwe monarch binnen. Op het koningsplein was een imposant bouwwerk verrezen, tegenover de kerk Siant-Jacques sur Coudenberg. Leopold maakte zijn entree te paard, steeg af, en beklom de treden teneinde zijn plaats in te nemen onder het baldakijn van de regent, Surlet de Chokier. Iedereen stond tijdens het afleggen van de eed. Op rustige toon, met een vaag Duits accent, zwoer Leopold 'de Grondwet en de wetten van het Belgische volk te zullen naleven, de onafhankelijkheid van de staat te zullen waarborgen, en de integriteit van het gebiedsdeel te zullen eerbiedigen'.

De massa toeschouwers kon haar enthousiasme niet verhelen: zij waren zojuist getuige geweest van de geboorte van een dynastie. Leopold kon onmogelijk voorzien dat hij al zo spoedig deze beloften gestand zou moeten doen. Op 2 augustus, twee weken na zijn troonsbestijging, drongen Hollandse troepen, ondanks de wapenstilstand, Belgisch grondgebied binnen. Het Belgische leger was onvoorbereid, en dus riep Leopold de hulp van Frankrijk in; Engeland trachtte ondertussen tussenbeide te komen door Willem I te verzoeken een eind aan de vijandelijkheden te maken. De nederlaag kostte België Maastricht, de helft van Luxemburg en Limburg, en de monding van de Schelde. De Hollanders, nog steeds meester van Antwerpen, weigerden tot het jaar 1839 de onafhankelijkheid van hun buurstaat te erkennen. De koning, die borg had gestaan voor België's vrijheid, bezon zich voornamelijk op de toekomst van zijn jonge dynastie.

Op 9 augustus 1832 nam hij de dochter van Louis-philippe tot zijn tweede vrouw, en versterkte daarmee de banden met Frankrijk. Prinses Louise Marie van Orleans was toen 19 jaar. Dit huwelijk, eerder gesloten uit diplomatieke dan uit romantische overwegingen, bleek een gelukkige verbintenis. Deze eerste koningin der Belgen was vroom en hartelijk, en aardde naar haar moeder Marie-Amelie; ze had de vrijheid lief en stond open voor moderne opvattingen. Ze steunde Leopold waar ze kon. En bovenal vervulde zij op voorbeeldige wijze haar taak door mannelijke troonopvolgers ter wereld te brengen-Louis-Philippe, de toekomstige Leopold II en filips, graaf van Vlaanderen. Ook kregen ze een dochter, prinses Charlotte, die korte tijd keizerin van Mexico was, voordat zij tot krankzinnigheid verviel.

De geruststellende zekerheid van Leopolds huwelijk bracht de Engelsen ertoe het Franse leger toestemming te geven de citadel van Antwerpen te heroveren. België, als net opbloeiende staat, leunde stevig op de grote kwaliteiten van Leopold. 'Ik ben als Atlas die zijn kleine staat op de schouders heeft te torsen', zei hij vaak. Hij vond zijn constitutionele bewegingsvrijheid te beperkt, aangezien het parlement trachtte de koninklijke macht in te kapselen in een netwerk van constitutionele wetten. Degenen die wensden dat de koning 'zou heersen, doch niet besturen' konden van Leopold horen dat hij beide zijn taak achtte. Om de handelsmogelijkheden zoveel mogelijk te ondrsteunen, nam Leopold het initiatief tot aanleg van een spoorwegnet en moedigde hij de groei van de industrie aan.

Ondanks zijn politieke activiteiten, begon Leopold zich te vervelen. Hij vervreemdde van zijn vrouw, en bracht veel tijd door in de Ardennen, waar hij jaagde; ook maakte hij vele reizen. In deze periode leefde Louise Marie en haar kinderen een geisoleerd bestaan op paleis Laken, vlak bij Brussel. In 1848 werd Louis-Philippe definitief van de Franse troon verstoten. Dat de Belgische monarchie stand hield, was volledig te danken aan het optreden van de koning. 'Ik heb onophoudelijk en gewetensvol het constitutionele systeem nageleefd, en daar heb ik geen spijt van; dit volk zegt: "Laat anderen praten van een republiek. Onze vrijheid is veel groter dan die binnen de meeste republieken". De arme Louise Marie overleefde de val en de dood van haar vader slechts korte tijd. De oude koning Louis-philippe stierf in augustus 1850, als banneling in Engeland. Zijn dochter volgde hem twee maanden later, volkomen uitgeput door t.b.c. 'Haar sterven, was, gelijk haar leven, dat van een heilige', kreet Leopold, die we toch nauwelijks de meest toegewijde echtgenoot kunnen noemen. Integendeel, hij zocht gauw troost in de armen van Arcadie Meyer, die al jaren zijn minnares was.

Op 2 december 1852 had Frankrijk zijn nieuwe monarch, Napoleon III. Leopold zag in hem een ordinaire lastpak, maar hij vreesde een heropleving van de oude Bonapartistische ambities. Hij spoorde het parlement aan de nationale defensie te versterken. Bovendien liet hij zijn oudste zoon trouwen met aartshertogin Maria Hendrika van Oostenrijk-dit om de vriendschapsbanden met Oostenrijk aan te halen. 'Dit is een relatie tussen een stalknecht en een non,' typeerde de oude prinses van Metternich het huwelijk, 'en de non is natuurlijk die graaf van Brabant!' voegde ze eraan toe. Vanuit menselijk oogpunt was deze diplomatieke zet een volslagen mislukken. De latere Leopold II en zijn echtgenote hadden niets gemeen, en leidden al spoedig ieder hun eigen, afzonderlijke bestaan. Even achter gaf het Leopold een kans zich te koesteren in de warmte van zijn succesvolle handelwijze.

Op 21 juli 1856, zijn zilveren jubileum, paradeerde hij trots door de straten van Brussel, vergezeld van zijn zonen en de prinses. Hij zou nog ongeveer tien jaar koning blijven, en in die tijd meemaken hoe het parlement op zijn grondvesten trilde door de botsingen tussen liberalen en katholieken. In 1862 werden bij de koning galstenen vastgesteld; de kolieken werden steeds heviger, de koning leed aan slapeloosheid, en ten slotte moest er een ingewikkelde operatie volgen. Desondanks wijdde hij zich met vaste hand aan de staatszaken. Op 10 december 1865 sloot Leopold I, na een laatste chirurgisch ingrijpen, voorgoed de ogen; hij vond rust in de wetenschap dat hij zijn plicht had gedaan.


Koning Leopold II
(1835-1909)
De nieuwe koning, die ook Leopold heette, was toen 30 jaar. Tijdgenoten beschrijven hem als een slimme, geduldige, wat sarcastische man. Hij had het doorzettingsvermogen van zijn familie geerfd, kon werken als een bezetene, en beschikte over de perfecte vorming en opvoeding om zijn land te dienen. Zijn gezondheid liet echter te wensen over: hij had zijn moeders longproblemen geerfd en raakte kreupel door ischias. Dit was dus de nieuwe koning: een uiterlijk weinig innemende jongeman met de wat pompeuze manier van doen van een oude, stijve heer. Toen hij nog hertog van Brabant was, en troonopvolger, leidde hij een commissie die zich bezighield met het moderniseren van de vestingwerken in Brussel. Reizen naar de Oost brachten hem op het idee internationale afzetmarkten te bezoeken voor de Belgische handel. In een toespraak tot de Senaat, op 17 februari 1860, verlaarde hij:

'Ik ben van mening dat de tijd rijp is voor dit land om voorbij de eigen grenzen te reiken. Er valt geen tijd te verliezen, anders zullen we merken dat meer ondernemende naties alle mogelijkheden voor onze neus hebben weggekaapt'.

Vanaf het moment dat hij koning werd, heeft Leopold II onafgebroken geijverd om van zijn land een koloniale mogendheid te maken.

Op 17 december 1865 beklom Leopold II de trappen naar de troon en herhaalde hij de woorden waarmee zijn vader destijds de eed aflegde; de zoon wensde zijn vaders goede voorbeeld te volgen. Hij merkte op dat hij 'de eerste Belg-van-geboorte was die koning werd over dit volk'. Hij voegde daaraan toe:

'In mijn gedachtengoed zijn de toekomst van België en mijn eigen toekomst altijd onscheidbaar verweven geweest, en ik heb altijd uitgezien naar die toekomst, gebaseerd op het vertrouwen dat een vrije, oprechte en moedige natie weet te wekken...'

De wijze waarop hij zijn taakopvatting verwoordde, oogste applaus:

'Een constitutioneel monarch staat boven de partijen en hun onderlinge meningsverschillen, waarover die natie immers zelf dient te beslissen.'

De eerste periode van zijn heerschappij werd overschaduwd door onaangename gebeurtenissen. In 1866 werd de Oostenrijkse hoofdmacht vernietigd te Koniggratz en viel de dreigende schaduw van Pruisische overheersing over Europa. In Frankrijk broedde Napoleon nog steeds op plannen voor de overname van België. Daar kwam bij dat het Mexicaanse avontuur een totale mislukking dreigde te worden. De zuster van Leopold II, Charlotte, zocht vruchteloos hulp bij Napoleon III, terwijl haar weinig succesvolle echtgenoot, Maximiliaan, keizer van Mexico, koppig op zijn post bleef. Toen hij op 19 juni 1867 door een vuurpeleton te Queretaro ter dood werd gebracht, werd Charlotte krankzinnig.

De democratische spelregels die de bewegingsvrijheid van Leopold beperkten, prikkelden hem zich met des te meer ijver te storten op zijn plannen voor een Afrikaanse kolonie. In september 1876 organiseerde hij een Internationale Aardrijkskundige Conferentie te Brussel met als oogmerk 'de vlag der beschaving te doen wapperen in Centraal Afrika'. Het jaar daarop maakte Stanley een ontdekkingsreis langs de rivier de Kongo. Leopold slaagde erin hem over te halen tot een tweede onderneming, dit keer in naam van de Internationale Afrikaanse Vereniging, waarvan de koning voorzitter was. De koning joeg zijn droom na in het diepste geheim en tegen de onuitgesproken vijandigheid van de Belgische publieke opinie in. In 1881 werd Leopoldstad gesticht.

Op 15 februari 1885 erkende de Kongoconferentie te Berlijn Leopold II als soeverein over de onafhankelijke Kongostaat. Een paar weken later verklaarde het parlement dat 'Zijne Majesteit, Koning der Belgen, geautoriseerd is als staatshoofd van de in Afrika gevestigde staat Kongo door de Internationale Kongo Vereniging'. De inertie van een heel volk was door de onverdroten drang van een man overwonnen. Terwijl de koning in het hart van Afrika een rijk forceerde, worstelde België met talloze partijwinsten. Liberalen en katholieken stortten zich in de schoolstrijd, totdat een hevige recessie de aandacht van de hele natie richtte op iets minder triviale affaires. In een pragmatisch, koninklijk betoog schetste Leopold op 9 november 1886 de hoofdlijnen van de nieuw te voeren sociale politiek. 'Het gaat om de volgende maatregelen: vrouwen-en kinderarbeid dienen aan banden gelegd, aan het frauderen met de uitbetaling van lonen dient een einde te komen, er moeten bouwplannen worden ontwikkeld voor fatsoenlijke woningen voor arbeiders, er moeten maatregelen komen die leiden tot een voor ieder heilzaam plan betreffende verzekeringen, sociale voorzieningen en pensioenen...'

Deze koning met zijn zo tegenstrijdige karaktertrekken, was nu in de kracht van zijn leven: een levendige en alerte zestiger, met geheven hoofd-ondanks de stok waarmee hij liep-en een volle, witte, recht afgesneden baard. In de beslotenheid van zijn studeerkamer had hij de mogelijkheid de kritiek te negeren terwijl hij zich concentreerde op de bloei van zijn Afrikaanse bezit. Hoewel hij tijdens zijn leven al een legende werd, kreeg Leopold II ook heel wat kritiek te verduren, met name vanwege zijn schaamteloze uitbuiting van de Kongo, en zijn al te opzichtige relatie met Caroline Delacroix, die hij uitriep tot barones van Vaughan en bedolf onder weelde. De koning was zich zeer bewust van de waardigheid van zijn positie, en placht over zichzelf te spreken in de derde persoon. Ondanks deze tekortkomingen slaagde hij er evenwel in van België een bloeiende natie te maken. Zijn scherpzinnige handelsgeest wendde hij aanom markten aan te boren in China en Perzie, en hij maakte zijn land nummer vijf in de reeks van handeldrijvende naties.

Toen hij 74 was, raakte Leopold meer en meer kreupel door reumatiek. In de zomer van 1908 werd hij gedwongen de soevereiniteit over Kongo af te staan aan België, dat na jaren van onverschilligheid begerig was geworden naar de rijkdommen van deze welvarende kolonie. Daarnaast schonk de koning het grootste deel van zijn immense fortuin weg aan zijn land, in de vorm van een Koninklijk Geschenk. Maar de donkere wolken van de volgende dreigende oorlog pakten zich samen boven het eerbiedwaardige hoofd van de koning. Keizer Wilhelm II deed niet langer moeite zijn oorlogszuchtige intenties te camoufleren. De dood kwam voor Leopold als een genade voor de storm losbarstte. Op 14 december 1909 onderging hij een darmoperatie die hem van zijn laatste krachten beroofde. Hij had nauwelijks nog gelegenheid een laatste wet, aangaande algemene dienstplicht, te initieren, voor hij op 17 december de laatste adem uitblies op het paleis Laken.

Leopold's huwelijk was in meer dan een opzicht een mislukking. Maria Hendrika van Oostenrijk had hem drie dochters geschonken, doch slechts een zoon, geboren in 1859. De dood van deze kleine Leopold, nog voor zijn tiende verjaardag, aan een hartgebrek, liet Leopold ontroostbaar achter; deze gebeurtenis voltooide de breuk in dit koninklijk huwelijk. De dood van de jonge troonopvolger hield in dat nu Filips, graaf van Vlaanderen, en broer van de koning, troonopvolger was. Het feit dat deze man doof was, maakte hem weinig geschikt voor een dergelijke positie. Leopold II liet zijn oog vallen op zijn neef Boudewijn, een opgewekte, energieke jongen. Maar het lot leek de Van Sksen-Coburg-dynastie weing gunstig gezind. Op 23 januari 1891 stierf de toen 21-jarige Boudewijn aan een pleuropneumonie, nog verergerd door een nierbloeding. De nieuwe kandidaat, Albert, jongere broer van de overledene, was een verlegen, onhandige man, die maar het liefst met rust werd gelaten. Voor zijn oom bleef hij altijd 'een gesloten boek'.


Koning Albert I
(1875-1934)
Deze Albert werd in 1909 de derde soeverein van België sinds de onafhankelijkheid. Nadat hij deze militaire opleiding had voltooid, probeerde hij zijn interesse voor wetenschap en technologie aan te wenden door zich in de wereld van de industrie te verdiepen. In tegenstelling tot zijn oom, en tot grote zegen van de introverte prins zelf, had hij wel een persoonlijk leven dat hem voldoening schonk. Op 2 oktober 1900 trad hij te Munchen in het huwelijk met de lieflijke Elisabeth, hertogin van Beieren. Na korte tijd kregen zij twee zonen en een dochter. Dit nu was een huwelijk uit liefde, en het Belgische volk stemde er van harte mee in.

Op de dag dat hij de eed aflegde, 23 december 1909, werd Albert I door de socialistische afgevaardigden bestookt met de eis voor algemeen kiesrecht. Hun leider, Vandervelde, nam echter wel de moeite de nieuwe koning geruststellend toe te spreken:

"Ons protest geldt niet U, doch dat stel bandieten dat in deze regering de dienst uitmaakt!'

De vrijwel unanieme populariteit die Albert genoot, zelfs al voor zijn troonbestijging, bereikte een absoluut hoogtepunt tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zijn heroisch verzet tegen de Duitse agressor bezorgde hem de bijnaam 'koning-soldaat'. De moord op de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand, op 28 juli 1914 te Sarajevo, dompelde heel Europa in volstrekte wanhoop. Zonder een seconde na te denken over de neutraliteit van het land, trok het Duitse leger op 4 augustus België binnen. Op die dag sprak Albert I, in volledig militair ornaat, het parlement toe:

'Ik vertrouw op ons aller lot. Een land dat zichzelf verdedigt, dwingt universeel respect af: dit land zal niet ten onder gaan!'

Deze roerende oproep noch het koppig verzet haalde veel uit: binnen een paar weken was België verslagen. De Duitsers drongen door tot aan de Ijzer. Niettemin bleef de koning te De Panne, als opperbevelhebber der strijdkrachten, op dat kleine stukje land dat nog vrij was; van daaruit hield hij de vlam der hoop vier jaar lang brandend. De koningin bleef aan zijn zijde, vergat haar Duitse afkomst, en wijdde zich volledig aan de opvang en verzorging der gewonden. Voor alle slachtoffers van deze oorlog was, en bleef zij voor immer, de koningin-verpleegster'. En toen Albert I op 22 november 1918 onder een daverende ovatie van de bevolking door Brussel trok, was dat in de wetenschap dat vanaf dat moment het volk van België als zodanig een bloedband was ingegaan met de koninklijke familie.

Gesterkt door deze hernieuwde erkenning, vond de koning de kracht zich te wenden tot het parlement met de grote wijzegingen die hem voor ogen stonden: algemeen kiesrecht, gelijkheid tussen Walen en Vlamingen, een rechtvaardiger samenleving, bestuurd door 'creatieve discipline, geen opgelegde, dwingende regels van bovenaf, maar een vorm van bestuur die zich kenmerkt door een waarlijk samengaan van hart en verstand'.

Na de oorlog hernamen Albert en Elisabeth hun rustig gezinsleven. De koning deed wat aan sport, wijdde zich aan zijn liefde aan tuinnieren, wandelen, motorrijden, vliegen en bergbeklimmen. Als de beslommeringen van zijn functie hem te veel werden, trok hij de bergen in 'teneinde de balans tussen ziel en lichaam te herstellen', zoals hij het zelf zei.


Koning Leopold III
(1901-1983)
Op 27 februari 1934 deed zich zo'n gelegenheid voor: de koning verliet Brussel om in de Ardennen te gaan klimmen. Hij werd geraakt door een vallende steen, stortte vijftien meter omlaag, en brak zijn schedel. Tegen de avond werd zijn lichaam gevonden...

De jongeman die nu voortijdig alle verantwoordelijkheden van een dergelijke zware functie op zich moest nemen, bleek in alle opzichten goed toegerust voor zijn taak. De tijden waren zeker niet makkelijk: de crisis die de wereldeconomie teisterde liet zich ook in België hardhandig gevoelen. In Italie en Duitsland staken verachtelijk ideologieen de kop op en wederom werd de stabiliteit van Europa bedreigd. Maar de aankomende, jonge koning Leopold III, bezat met zijn 32 jaar het optimisme en de energie van de jeugd. Bovendien had hij zijn voordeel gedaan met uitmuntende leermeesters die niet slechts zijn intellectuele capaciteiten, maar ook zijn menselijke kanten en opmerkingsgave hadden helpen ontwikkelen.

De eerste periode van de Eerste Wereldoorlog bracht Leopold door de school van Engeland. Maar toen hij ruim dertien jaar oud was, kreeg hij-puur door vol te houden-zijn vader zover hem militaire training te laten volgen. In 1915 nam hij een half jaar lang deel aan de gewone trainingen en plichten van iedere doorsnee soldaat.

De kroonprins stak wederom het Kanaal over, ditmaal om binnen te gaan in het hoogst exclusieve Eton College. Vakanties bracht hij door bij zijn familie...en bij het 12de regiment! In november 1920 ging hij naar de Militaire Academie, waar hij twee jaar later afzwaaide met de rang van Tweede Luitenant. In de jaren na de oorlog reisde de toekomstige koning de halve wereld af: Amerika, Egypte, Kongo. Zijn reizen voorspelden in zekere zin de komst van een andere Belg-Kuifje-die eerdaags zijn entree zou maken. De rapportage die hij hield omtrent de situatie in Afrika, tijdens het Tweede Brusselse Koloniaal Congres, was uiterst kritisch.

'Onze komst in de Kongo heeft grote invloed gehad zowel op de lokale gebruiken aldaar als op de gezondheidstoestand van de zwarten. De redenen hiervoor zijn van zowel morele als fysieke aard. Het plotselinge contact tussen onze beschaving en de daar gebruikelijke normen en gewoonten, het uiteenvallen en hergroeperen van bepaalde stammen, dat alles heeft diepe sporen achtergelaten in de levensstijl die daar gebruik was, en heeft de fundamenten van de samenlevingsverbanden ondermijnd'.

Het enige dat de flitsende prins nog miste, was een fraaie bruid. Tijdens zijn verblijf in Stockholm in het voorjaar van 1926 ontmoette Leopold prinses Astrid, derde dochter van prins Karel van Zweden. Astrid hield van eenvoud; ze legde zich voornamelijk toe op kinderverzorging en het huishouden. Ze had een fraaie roze teint, schitterende groene ogen en een betoverende glimlach-Leopold viel onmiddellijk voor dit alles. Hun verloving werd officieel bekend gemaakt op 22 september 1926 in het Koninklijk Paleis te Brussel. Toch was Astrid er altijd van overtuigd geweest dat ze 'nimmer een prins zou trouwen. Het enige wat ik wil is trouwen met iemand van wie ik houd.' Maar ja...als liefde een praktisch belang zo samenvallen...

Het burgerlijk huwelijk werd gesloten in november 1926 te Stockholm, in aanwezigheid van vier koningen, twee koninginnen, vijftien prinsen en tien prinsessen. Een paar dagen later maakte de nieuwe hertogin van Brabant haar glorieuze entree in de haven van Antwerpen. Leopold, die al eerder met een ander schip was aangekomen, lapte het protocol aan zijn laars en holde de loopbrug van de Zweedse kruiser op teneinde Astrid met overgave te kussen; dit tot groot ongenoegen van zijn moeder, koningin Elisabeth. Deze spontane aactie ontroerde de Belgen zeer, en vanaf dat ogenblik sloten zij Astrid in hun hart. De volgende dag, tijdens de kerkelijke inzegening in de kerk van Sint Goedele te Brussel, verscheen Astrid met een bruidsboeket van lelies en witte orchideeen.

Het jonge paar leidde een rustig bestaan op paleis Bellevue, waar Astrid zelf de huishouding ter hand nam. Hun eerste kind, Josephine-Charlotte, werd geboren op 11 oktober 1927. 'Nu voel ik me echt een Belgische,' riep Astrid uit. Hoewel de etiquette haar maar zeer matig kon boeien, nam ze haar rol als echtgenote van de kroonprins heel serieus. Ze legde zich met overgave toe op de studie van Frans en Nederlands, en vergezelde haar man vaak bij zijn officiele plichten. Leopold ging door met reizen, maar nu in gezelschap van zijn charmante vrouw. In 1928 bezochten de hertog en hertogin van Brabant Nederlands-Indie; in 1932 brachten zij een bezoek aan de Franse kolonien in Azie, het jaar daarop bekeken ze de Kongo.

Onderwijl vierden de Belgen het honderdjarig jubileum van hun onafhankelijkheid, en op 7 september 1930 de geboorte van de toekomstige koning Boudewijn; Astrid besloot zijn opvoeding in eigen hand te nemen. Haar belangstelling voor kinderen gold alle kinderen van België. Toen ze op zekere ogenblik een obscene opmerking hoorde uit de mond van een klein straatschoffie, snoerde ze hem de mond met de opmerking: ' Je behoort mij niet slechts te zien als je koningin, maar ook als je eigen moeder!' Ze was toen inmiddels, na het fatale ongeluk van Albert I, de nieuwe koningin der Belgen. Zij stortte zich zonder enige aarzeling in het werk aan haar mans zijde om zoveel mogelijk hulp te bieden bij de ellende die voortvloeide uit de massale werkloosheid.

Haar reputatie en charme stelde die van Elisabeth de 'koningin-verpleegster' bijna in de schaduw. Niettemin bleef Astrid het oude principe trouw dat 'De koningin degeen is die luistert naar het volk, doch de koning die spreekt'. Op 6 juni 1934 kreeg het paar een derde kind, Albert. Begin 1935 zette Astrid, ondanks haar vermoeidheid, een Comite van Bijstand op, wat een golf van nationale solidariteit opriep. Die zomer besloot zij samen met haar man een paar dagen door te brengen in Zwitserland. Op de weg naar Luzern, vlak bij het Vierwoudstedenmeer, kwam Koningin Astrid om het leven bij een verkeersongeluk. Voor altijd zal ons haar glimlach in herinnering blijven.

Leopold III rouwde in eenzaamheid, terwijl de gevaren waar het land voor stond steeds dreigender werden. Belgische fascisten volgden het Duitse voorbeeld en verenigden zich in het Vlaamsch Nationaal Verbond; de Wallonier Leon Degrelle werd buitengewoon berucht als leider van de Rex Christus-beweging (Rexisten). Aan de horizon tekende zich dreigend de volgende oorlog af. De koning stond voor een beleid 'door, met en voor het Belgische volk'. Het defensiebudget werd uitgebreidd, terwijl Hitler voortging zijn 'vreedzame' bedoelingen te benadrukken.

Dat weerhield de Duitse troepen er overigens niet van voor de tweede maal in een kwart eeuw de Belgische neutraliteit te scheiden; in de vroege ochtend van 10 mei 1940 trokken zij het land binnen. Enkele uren later deed de koning een dringend beroep op de natie:

'Ook ditmaal zal België, als in 1914, niet aarzelen tussen offers brengen of eerloos ten onder gaan'.

Leopold III nam het opperbevel over het leger op zich, net zoals destijds Albert I. Al heel snel was de konings enige zorg-gezien de massale overmacht van de Duitse strijdmachten-een totale nederlaag te vermijden. Toen zijn ministers op 26 mei eerst naar Frankrijk, en vervolgens naar Engeland vluchtten, bleef Leopold op zijn post. Er was geen weg terug, en daarmee zou de historie hem het stempel van verrader opdrukken.

België capituleerde op 28 mei. Leopold bracht dit treurige nieuwsfeit via de radio:

'Uitgeput door een niet aflatende strijd tegen een veel beter uitgerust, en veel sterkere vijand, blijft ons niets anders over dan capituleren. Ik zal u in deze periode van diepe tragedie niet verlaten, het is mijn oogmerk te blijven waken over het lot van u en uw gezinnen'.

Vanaf dat moment beschouwde de koning zijn gevangenschap onder de nazi's als een symbool voor de gevangenschap van zijn hele land. Ondanks dat, zette zijn geheime huwelijk met Lilian Baels, die de titel prinses van Rethy ging voeren, veel kwaad bloed bij de bevolking; dit was naar hun smaak geen moment voor een koning om zijn persoonlijk geluk na te streven.

Toen in 1944 de geallieerden in Normandië landden, werd de koning naar Duitsland gebracht. Toen België ten slotte bevrijd werd, zat de koning nog steeds in Duitsland, en was niet vrij naar de troon terug te keren. Zijn jongere broer, prins Karel, graaf van Vlaanderen, een vrijwel onbekende voor het Belgische volk, werd tot regent gekozen. Hij was geboren in 1903, had diverse marine-opleidingen gevolgd in Engeland, en had zelfs gediend als luitenant in de Engelse Koninklijke Marine. Nu hij eenmaal weer in de burgermaatschappij leefde, ontweek hij zoveel mogelijk alle officiele zaken, en hechtte zeer aan zijn privacy. Zijn interesses gingen uit naar kunt, en het rijden in snelle wagens; hij had weinig op met politiek, en al evenmin met een druk sociaal leven. Gedurende de oorlog leefde hij teruggetrokken in Brussel. Om uit handen van de Duitsers te blijven, verhuisde hij in 1944 naar Spa, nam daar de naam Mr. Richard aan, en slaagde erin contact te leggen met het plaatselijk verzet.

Op 7 mei 1945 liet het Amerikaanse achtste leger de koning en zijn gezin vrij; tot die tijd waren zij vastgehouden in Strobl, bij Salzburg. Drie dagen later arriveerde zijn broer met een officiele afvaardiging en maakte Leopold duidelijk dat de situatie in België zijn terugkeer niet bepaald aanbevelingswaardig maakte. De koning aanvaardde dit en liet op 13 mei via een radiobericht weten dat 'De koning zijn broer schriftelijk op de hoogte heeft gesteld dat zijn gezondheidstoestand, gevolg van langdurige gevangenschap, hem voorlopig verhindert de taken die hem zijn toevertrouwd, te hervatten.'


Koning Boudewijn (1930-1993)
De socialisten-onder wie veel voorstanders van de republiek-beschuldigden de koning van collaboratie en eisten dat hij formeel afstand zou doen van de troon. In de rechtervleugel was echer niemand te vinden die bereid was een regering te vormen die zich in wenste te zetten voor Leopolds terugkeer. Deze wankele toestand bleef bestaan tot 1950. De koning leefde in ballingschap te Pregny, vlak bij Geneve, in afwachting van het referendum dat tenslotte in maart 1950 werd gehouden.

De resultaten waren als volgt: in heel België stemde 57.68% van de mensen voor de terugkeer van Leopold III. In Wallonie echter was dat nog geen 50%. Voor een monarchie, uiteindelijk toch met als principiele functie een symbool van nationale eenheid te zijn, kwam deze uitslag dus neer op een afwijzing. Paul-Henri Spaak, een wijs en ervaren politicus, begreep dit maar al te goed. Hij schreef de koning het volgende:

'Uwe Majesteit, nu Uw beleid en Uw gedrag door een meerderheid van het Belgische volk zijn goedgekeurd, adviseer ik U met dit resultaat tevreden te zijn: zend ons Uw zoon.

Leopold negeerde dit advies en keerde op 22 juli 1950, na een afwezigheid van zes jaar, terug op Belgische bodem. De nationale economie was volledig lamgelegd door stakingen, georganiseerd door de vakbonden en de linkse partijen. Rellen dreigden uit te groeien tot een complete opstand. Op 1 augustus wierp Leopold, in de steek gelaten door zijn regering, de handdoek in de ring. Om nu een eind te maken aan wat inmiddels 'De Koningskwestie' heette, en besloot de koning zijn macht over te dragen aan zijn zoon, prins Boudewijn. zijn idee was dat dit een noodzakelijke fase was in het proces dat moest leiden tot een oplossing die de jonge Boudewijn te zijner tijd de kans zou bieden succesvol als troonopvolger te functioneren. Hij hoopte dat mettertijd een verzoening tussen zijn volk en zijn zoon tot stand zou komen.


Koning Albert II
Aldus geschiedde. Op 16 juni 1951 aanvaardde deze bijziende jongeman, kort voor zijn 21ste verjaardag, en veel te vroeg, dit hoogste ambt. De jongeman die zou worden gekroond tot vijfde koning van het geslacht Saksen-Coburg, werd als volgt door zijn vader toegesproken:

'Mijn geliefde zoon, met trots is het dat ik aan jou de nobele en eervolle taak overdraag de kroon te dragen van België, een land dat nog steeds, ondanks afgrijselijke oorlogen en tragedies, ongeschonden is, territoriaal en moreel vrij, en waarachtig in zijn tradities.'

De abdicatie van Leopold III markeerde voor Boudewijn het begin van een moeilijke periode. Wat waren zijn kansen om deze wankele monarchie in stand te houden? Nu, meer dan vijftig jaar later, heeft Boudewijn bewezen zijn vaders vertrouwen en de devotie van zijn onderdanen waardig te zijn geweest

| Koninkrijken | België |


terug naar boven