Koning en Keizerrijken  

Het geheim van de Adel



Adellijke Dame
Elk jaar verheft koning Albert II verdienstelijke landgenoten in de adelstand. Zo wordt de aristocratie uitgebreid met 'nieuwe' adel. De Belgische noblesse is een beschermde soort, in die zin dat status en titel door de Grondwet gewaarborgd worden.

Bij het ontstaan van het koninkrijk in 1830 werd er in het Nationaal Congres verhit gedebatteerd over het herstel van de adelstand en het toekennen van nieuwe titels. Een vierde van de Congresleden behoorde tot de aristocratie en vele anderen hadden adellijke ambities. Het kwam tot een typisch Belgisch compromis. De adel verloor elke politieke macht maar bleef bestaan. De koning verwierf het voorrecht om naar believen adellijke gunsten te verlenen. Gunsten maar geen voorrechten. In 1835 maakte Leopold I voor het eerst gebruik van zijn prerogatief. Ferdinand du Bois mocht zich voortaan Baron Ferdinand du Bois de Nevele noemen.

Het grootste deel van de Belgische adel stamt uit de negentiende en twintigste eeuw. Slechts 5% van de zowat 20.000 blauwbloedigen in België, heeft een pedigree die wortelt in de Middeleeuwen. 30% dateert uit de Spaanse, 15% uit de Oostenrijkse tijd. De anderen kregen een adelbrief van de Nederlandse koning Willem I of van de opeenvolgende koningen van de Belgische dynastie.

Behalve het feit dat je als gewone burger met een beetje geluk (of een heel groot fortuin) een adellijke partner kunt trouwen, zijn er tegenwoordig drie manieren om tot de Belgische stand der edelen toe te treden. Men kan zoals Ridder Jan Breydel de Groeninghe een oude, bestaande titel laten erkennen (reconnaissance), men kan zich zoals de familie van de Boheemse prins Stéphane de Lobkowicz als lid van de buitenlandse adel laten inlijven (incorporation) of men kan, wat het meeste voorkomt, wegens uitzonderlijke verdiensten door de koning geadeld worden (concession). Samen met Spanje en het Verenigd Koninkrijk is België één van de weinige landen ter wereld waar nog adeldom wordt verleend. In Nederland gebeurt dit niet. Artikel75 van de Belgische Grondwet erkent 'het bestaan' van de adel en wijst de koning als enig mogelijke oorsprong ervan aan. Alleen hij heeft 'het recht adeldom te verlenen'.

Vroeger maakte de soeverein zijn keuze geheel alleen. Sinds 1978 verleent hij adellijke titels op voorstel van een adviescommissie die hem een lijst van kandidaten bezorgt. De commissie bestaat uit veertien leden, zeven adellijke en zeven gewone burgers. Uit de door hen opgestelde lijst, welke normen daarbij precies gehanteerd worden blijft de vraag, aangezien de leden zwijgplicht hebben, maakt het staatshoofd dan een persoonlijke selectie. De commissie kan zelfs kandidaturen voordragen of selecteren op basis van verzoekschriften. Iedere Belg die van zichzelf vindt dat hij in aanmerking komt voor een adellijke onderscheiding kan een dergelijk verzoekschrift indienen. Maar de slimmen laten uiteraard iemand met gezag of prestige voor hen lobbyen.

'De commissie heeft een zware taak die ze naar eer en geweten uitoefent. Daarbij mag je je niet vergissen, anders bedrieg je de Kroon', zegt Graaf le Grelle.

'De kandidaten moeten iets gedaan hebben voor het land, voor het volk. Het gaat om de verdiensten van de mensen en niet zoals vroeger nogal eens het geval was, om het geld dat ze hebben of uit welke familie ze komen'.

De commissie vergadert één keer per maand om de kandidaten grondig door te lichten en een beeld te krijgen van hun levenswandel. De koning kan naar willekeur namen op de lijst schrappen, er andere aan toevoegen of de keuze van de commissie volgen. De regering heeft daar geen inspraak in, al ligt de politieke verantwoordelijkheid bij de minister van Buitenlandse Zaken, een overblijfsel uit de tijd van de Belgische Revolutie. Toen werden de archiefstukken in verband met de Belgische adel bewaard in Den Haag. Zij bleven daar tot in de jaren veertig. Buitenlandse Zaken leidde de onderhandelingen over de verhuizing. Officieel komen alleen moreel hoogstaande mensen 'met uitzonderlijke verdiensten' in aanmerking voor een titel. Twee voorwaarden zijn essentieel: royalist zijn en patriot. Dat betekent: je moet van de koning houden en van 'de streek'. Sedert de federalisering wordt niet meer gesproken van 'het land'.

Sommige mensen zullen nooit een titel krijgen. Wie naakt poseert, vooraan loopt in een betoging voor seperatisme, op de Ijzerbedevaart vendels zwaait met slogans of zoals Jean Pierre van Rossum 'Vive la République' roept bij de koninklijke eedaflegging, zal niet licht worden voorgedragen om ridder, baron of burggraaf te worden. Gebrek aan vaderlandsliefde en goed fatsoen zijn dingen waar het hof niet makkelijk overheen stapt. In de jaren tachtig stelde koning Boudewijn zijn veto tegen een aantal kandidaat-edellieden uit het Vlaamse bedrijfsleven die tijdens de bezetting bij economische collaboratie waren betrokken.

De zes Belgische koningen hebben in mindere of meerdere mate van hun voorrecht gebruik gemaakt. Sinds 1830 zijn ongeveer zo'n kleine zeshonderd gewone families in de adel opgenomen. In ruil daarvoor verwacht de dynastie loyauteit van de nieuwe nobiljons. Van hen wordt verwacht dat ze in tijden van nood figuurlijk met de monarch op de barricaden gaan staan tegen de middelpuntvliedende krachten die het koninkrijk willen doen uiteenspatten. Theoretisch kan de koning zeven adellijke titels verlenen: prins, hertog, markies, graaf, burggraaf, baron of ridder. Hij kan ook burgers in de adelstand verheffen zonder titel. Zij zijn jonkheer of jonkvrouw. Nieuwe prinsen, hertogen en markiezen komen er niet meer bij en ook met de titel van graaf springt het hof zuinig om. In uitzonderlijke gevallen verheft de koning wel eens een ridder tot baron of een baron tot graaf zoals Pierre Clerdent, de vroegere gouverneur van de provincie Luik of de familieleden van zijn schoondochter Mathilde d'Udekem d'Acoz wier adellijke blazoen bij het huwelijk is opgewaardeerd met een grafelijk statuut.


Graaf Henri
d'Udekem d'Acoz
Ook de andere hoge titels die recent werden toegekend gingen naar verwanten van het vorstenhuis: door 'incorporation' werd de buitenlandse prinsentitel van Lorenz van Habsburg ook in België erkend. De meeste nieuwe edelen zijn baron of ridder. Een Nobelprijswinnaar of een astronaut kan meestal rekenen op de titel van burggraaf. De graad van verheffing is vaak een onderwerp van discussie binnen de commissie. Verscheidene leden waren bijvoorbeeld van mening dat een ridderschap voor baron Stijn Coninckx ruimschoots volstond. Anderen wilden Felix de Boeck baron maken maar de toen bijna honderdjarige schilder moest uiteindelijk vrede nemen met een ridderslag.

Wat de lichting nieuwe adel betreft: niet alle leden van de commissie waren gelukkig met het feit dat Michel D'hooge zich voortaan baron mag noemen, terwijl de internationaal gerenomeerde Jan Hoet en Philippe Herreweghe het met een ridderschap moeten stellen.

Een verheffing in de adelstand viel vroeger meestal oudere heren te beurt. Jongeren of vrouwen waren een uitzondering. De opname van dames in de adelstand beperkte zich tot weduwen en ongehuwden. De jongste tien jaar is daar een verrassende omslag in gekomen. Bij de lichting 1996 waren meer dan de helft van de begunstigden dames. Geadelde vrouwen genieten daarbij van een positieve discriminatie. Ridderes bestaat niet en er is geen Frans equivalent voor jonkvrouw. De laagste titel voor een vrouw is dus barones. Als gevolg daarvan krijgen dames bij gelijke verdienste doorgaans hogere titels dan mannen. Dat geldt voor de choreografe en danspedagoge Jeanne Brabants, die de titel van barones kreeg terwijl zij als cultureel ambassadrice van België in het buitenland hoegenaamd niet het prestige uitstraalt van een Jan Hoet of een Herreweghe. Een adellijk statuut is voor het leven tenzij de begunstigde de Belgische nationaliteit verliest of afstand doet van een titel. Een titel is persoonlijk en in de regel niet erfelijk.

Alleen de begustigde mag zich ridder, baron of graaf noemen. De adeldom gaat wel over op de erfgenamen. De kinderen van Baron Eddy Merckx, Axel en Sabrina, hebben dus recht op het predikaat jonkheer en jonkvrouw. Ook hun kinderen mogen geadeld door het leven gaan. Erfelijke titels worden slechts in uitzonderlijke gevallen toegekend zoals aan oud-minister van Buitenlandse Zaken Graaf Pierre Harmel wiens rechtstreekse afstammelingen zich te eeuwigen dage graaf of gravin mogen noemen of wijlen Premier Gaston Eyskens wiens titel van burggraaf altijd overgaat op de oudste zoon van de familie. Af en toe gebeurt het dat niet-erfelijke adeldom verleend wordt 'als de kinderen niet de garantie bieden dat de adeldom ook met de nodige waardigheid zal gedragen worden.

Het komt ook voor dat de koning ermee instemt dat de titel niet aan de oudste maar aan de tweede zoon wordt doorgegeven, bijvoorbeeld als de oudste zoon priester wordt of in de Verenigde Staten gaat wonen waar adel verboden is. Er bestaat anderzijds een procedure om een adellijke titel verbeurd te verklaren, met name bij wangedrag, hoogverraad of grove malversaties. Dat gebeurde na de wereldoorlog toen enkele adellijke families wegens collaboratie hun titel verloren.

Voor de jaren tachtig werd de nieuwe noblesse in hoofdzaak gerecruteerd uit de behoudsgezinde, diepgelovige Franstalige burgerij. Het was wijlen koning Boudewijn die het initiatief nam om de adel uit te breiden tot alle maatschappelijke geledingen van zijn koninkrijk. Boudewijn was de kampioen van het adellijk blazoen. In de ruim 40 jaar van zijn bewind verhief hij zo'n 500 onderdanen in de adelstand. De koninklijke gunsten worden tegenwoordig evenredig verdeeld tussen gelovigen en niet-gelovigen, Vlamingen en Franstaligen. Het hof houdt het risico op een weigering zo klein mogelijk. Kandidaten worden indirect en voorzichtig gepolst. Dit gebeurt voor de officiële bekendmaking in het Staatsblad want het is ongepast dat iemand in het openbaar de gunst van de koning weigert. 'Je vraagt het niet en je weigert het niet', vindt Barones Angéle Manteau.

Uitvinder Ernest Solvay, de stichter van het Solvay imperium heeft dat destijds wel gedaan. Toen het hof diplomaat Jan Albert Goris, beter bekend als schrijver Marnix Gijsen, vroeg of hij baron wilde worden, stemde hij daar alleen in toe op voorwaarde dat ook zijn vriend Gerard Walschap zou worden geadeld. Wat gebeurde. Er zijn slechts enkele gevallen bekend van mensen die in een Koninklijk Besluit vernoemd werden maar nooit een diploma hebben opgevraagd. Als de adelbrief niet binnen een termijn van vijf jaar is gelicht, wordt de verheffing teniet gedaan. Al bij al zijn er veel meer mensen die hun interesse voor een titel laten blijken en hem niet krijgen dan dat er zijn die hem aangeboden krijgen en weigeren.


Baron Eddy Merckx
Zodra de lijst van kandidaten in het Staatsblad is gepubliceerd, begint de Raad van Adel, een onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken, haar werkzaamheden. Die Raad bestaat uit acht leden (vier Nederlandstalig, vier Franstalig) plus een griffier gespecialiseerd in adellijk recht en heraldiek.

'Wij houden de stamboom van de adel bij, stellen van iedere Belgische edelman of vrouw de adellijke staat vast, geven attesten van adeldom af en certificeren het bezit en gebruik van adellijke wapens', zegt de voorzitter van de Raad, Graaf Henri d'Udekem d'Acoz.

'Onze dienst geeft tevens advies bij de keuze van het wapenschild en het opstellen van de adelbrief'.

De kandidaat-aristo's worden één voor één ontvangen op de dienst van de Raad. Daar moeten ze een wapenschild kiezen dat bij de levensstijl van de familie past. Het blazoen moet uniek in zijn concept zijn en voldoen aan de heraldieke voorschriften die in de Middeleeuwen werden ontwikkeld.

'Je kunt niet zomaar een willekeurige kleur kiezen. De traditionele schakeringen moeten worden gerespecteerd. Geel is goud, rood is keel, blauw is azuur, groen is sinoble en zwart is sable', licht Henri d'Udekem d'Acoz toe.

De genomineerden mogen hun wapen door een kunstenaar naar keuze laten ontwerpen. Nu en dan wordt een ontwerp naar de scheurmand verwezen omdat er gezondigd is tegen de regels van de heraldiek of van de goede smaak. Stijn Coninckx wilde Charlie Chaplin in zijn blazoen verwerken maar dat kon niet. Ook combinaties met de driekleur van de Belgische vlag zijn taboe. Fantasiekronen zijn eveneens uit den boze. Een kroon moet historisch verantwoord zijn. Welke attributen er op het wapenschild staan is afhankelijk van de titel. Wapendragers, meestal twee leeuwen of paarden mogen pas vanaf de titel van baron. Het wapenschild van ongehuwde vrouwen is ruitvormig, dat van gehuwde vrouwen ovaal. Sommige nobiljons verwijzen in hun wapenschild naar hun beroep, familie of geboortestreek. Iedere edelman mag een advies hebben, maar dat is niet verplicht. Voor zijn blazoen koos Stijn Coninckx het voor hem toepasselijke 'Eenvoud Siert'.

Pas als de Raad van de Adel en de titularis het eens zijn over het ontwerp komt het op de adelbrief. Dit tweetalig document dat met de hand geschreven wordt op perkament, bestaat uit een aantal pagina's met een mini-stamboom die twee generaties in de mannelijke lijn teruggaat. Als alle formaliteiten vervuld zijn, worden de adelbrieven gelicht en krijgen de nieuwe nobiljons een attest waarmee ze bij de burgerlijke stand hun titel kunnen laten vermelden op hun identiteitskaart en alle officiële stukken. Een adellijke titel is in België beschermd en het wederrechtelijk gebruik ervan is strafbaar. Uit snobisme, ironisch genoeg is het woord snob afgeleid van 'sine nobilitate' (zonder adel) een term waarmee niet-adellijke studenten in de Middeleeuwen op de rol van de universiteiten werden ingeschreven, denken sommige nieuwe edellieden dat ze hun naam met een kleine v of een kleine d moeten schrijven in de overtuiging dat dit een meer adellijke indruk maakt.

Vele rijke burgerfamilies die erin geslaagd zijn via een huwelijk tot de elite toe te treden of door de koning met een titel werden bedacht imiteerden de adel door bijvoorbeeld hun naam te verlengen of met een kleine 'd' te schrijven. Henri d'Udekem d'Acoz:

'Als Eddy Merckx morgen de Merckx de Craynem wil heten is dat theoretisch mogelijk. Op voorwaarde dat de koning ermee instemt en dat een procedure tot naamswijziging aanhangig wordt gemaakt bij het ministerie van justitie'.

De kleine letters hebben echter geen enkele betekenis. Ironische kanttekenig van Paul Janssen, historicus en lid van de Raad:

'De Duitse vons zijn allemaal van adel. Bij ons bestaat er geen enkel verband. Er zijn edellieden zonder 'van' en niet-edellieden met een kleine 'van'. Dat hangt af van de registratie in de burgerlijke stand. Je vindt in de oude parochieregisters op één pagina dezelfde naam vaak op drie verschillende manieren geschreven. In Franstalige kringen denkt men dat een 'de' in de naam iets wil zeggen. Een zogenaamde scharniernaam van het type Pilgrims de Bigard wijst niet persé op blauw bloed. Pomme de Terre is ook niet van adel'.

Echte aristocraten vermelden in de omgang trouwens zelden hun titel of het tweede deel van hun naam.

'Op school schreef ik altijd 'De Wouters', met grote 'D'. Nooit hebben mijn ouders mij daar een opmerking over gemaakt. Ze vonden het niet belangrijk', vertelt Marléne de Wouters.

'Het besef van mijn adellijke afkomst kwam pas later. Ik zal me zelden met mijn volledige naam voorstellen omdat ik bang ben dat de mensen zouden denken dat ik het hoog in mijn bol heb. Het is een kwestie van zelfbescherming'.

Baron of graaf worden is niet goedkoop. Een blazoen kost, afhankelijk van de ontwerper en de kwaliteit van uitvoering, tussen de veertig en de honderdduizend frank. Daar bovenop komen dertigduizend frank registratierechten voor de titel, vijfhonderd frank kanselarij en zegelrechten. Bij een erfelijke titel wordt dertigduizend frank extra aangerekend voor ieder rechthebbend familielid. Kroostrijke gezinnen krijgen vermindering. Families met meer dan vier erfgenamen betalen 'slechts' achttienduizend frank per persoon. De koning kan in bepaalde gevallen ook dispensatie van lasten verlenen. Dat is gebeurd met een weldoener uit Charleroi die alles wat hij bezat, weggaf aan de armen. De Raad van de Adel heeft toen iemand gevonden die het wapenschild gratis heeft gemaakt en uiteindelijk heeft zijn verheffing tot de adelstand die man helemaal niets gekost.


Graaf Felix de Boeck
(1898-1995)
Ieder jaar organiseert de Koninklijke Vereniging van de Adel van het Koninkrijk België een receptie waarop vertegenwoordigers van de oude en nieuwe noblesse geacht worden te verbroederen. Een lovenswaardige initiatief dat de barriéres nochtans niet volledig kan slechten. Sommige arisocraten van de oude stempel blijven halsstarrig het onderscheid maken. Zij voelen zich lichtjaren verheven boven de 'parvenu's die nog naar verse verf ruiken', zoals ze in 'D'Ostende á Arlon', het boosaardige zwartboek van de adel, worden genoemd. De vraag is natuurlijk: hebben de ovenverse baronnen en ridders wel altijd het vereiste savoir vivre? Zijn ze voldoende doordrongen van de traditionele adellijke waarden en principes?

Sommige aristocraten van de oude stempel hebben hun twijfels en zijn allesbehalve gelukkig met de titelinflatie. 'Het verschil tussen oude en nieuwe adel is het verschil tussen kaviaar en een hamburger', zegt een typische vertegenwoordiger van 'les gens nés', uit een vijftiende eeuws riddergeslacht.

'Als je ziet wie er de laatste tien, vijftien jaar een titel gekregen heeft vraag je je af of het hof wel altijd wist over wie het ging. Nieuwe edellieden zouden eigenlijk een examen moeten afleggen en getest moeten worden op de manier waarop zij van plan zijn onze oude erecode uit te dragen. Dat zou adeldom uitsluiten voor bepaalde lieden van wie de Italianen zouden zeggen: 'E veramente duce ma non cavaliere'. Hij mag dan al hertog zijn, daarom is hij nog geen heer...'

België is met Spanje en Groot-Brittannië een van de weinige Europese landen waar het staatshoofd nog adellijke titels verleent. In Groot-Brittannië, volgens Nancy Mitfiord, auteur van 'Noblesse Oblige' 'het enige land ter wereld met een echte aristocratie', is de adel onderverdeeld in 'nobility' (hoge adel) en 'gentry' (lage adel). De 'nobility' bestaat uit 'peers' dwz de hertogen, markiezen, graven, burggraven, baronnen en de zesentwintig hoogste geestelijken van de Anglikaanse kerk. Hertogen worden met 'His Grace' aangesproken, de anderen als 'Lord' of 'Lady'. Baronets en knights maken de 'gentry' uit. Zij hebben, zoals Sean Connery, Michael Caine en Elizabeth Taylor, recht op het predikaat 'Sir' of 'Dame'. In de regel erft de oudste zoon de titels met de daaraan verbonden bezittingen. De jongere zonen van de peers zetten naar gelang van de rang van hun vader by courtesy het predicaat 'Lord of the Honourable' voor hun naam.

De Britse adel had tot voor kort nog veel reële politieke macht via het Hogerhuis en een hoge sociale status via de Queen. Op het einde van de achttiende eeuw waren er tweehonderd 'peers'. Vandaag ongeveer duizend. Hun aantal vermeerdert elk jaar. Nieuwe adel wordt voorgedragen door regeringspartijen. Pikant detail: nooit zijn er zoveel Britten verheven in de adelstand als tijdens het bewind van de socialistische Labour Party. Het koninkrijk Spanje maakt een onderscheid tussen de grootadel: de 'grandes' en 'titulados' (bestaande uit duques, marqueses, condes, vizcondes en barones), merendeels afstammelingen van oude christelijke families en allen grootgrondbezitters en de lage adel: de 'hidalgos'(letterlijk eonen van iemand) die onderverdeeld zijn in 'hidalgos de naturaleza' (die de adel van hun voorouders hebben geërfd) en 'hidalgos de privilegio' die door koning Juan Carlos in de adelstand zijn verheven als erkenning van hun verdiensten op het hebied van politiek, wetenschap, kunst of industrie.

Zweden kent vanouds drie adellijke groepen: de 'herrar' (graven en baronnen), de 'riddare' (ridders) en de 'swenner' (edelen zonder titel). In Italië, een republiek sinds 1945, heeft de adel geen echte macht of privileges meer, maar nog altijd een benijdenswaardige sociale status. De oude aristocratie bezit er nog uitgestrekte domeinen, landerijen en heerlijkheden. De adel is ook goed vertegenwoordigd in het zakenleven en de hoogste rangen van het leger. Een titel van martchese, conte of principe is een prestigieus visitekaartje dat vele deuren opent. Er bestaat dan ook een lucratieve handel in adelbrieven. 'Grandeur' et 'décadence' zijn de trefwoorden van de adel in Frankrijk. Voorrechten zijn er aan een adellijke titel niet meer verbonden maar de aristocratie profileert zich nog altijd als de absolute toplaag van de elite. Met de Franse revolutie werden alle adellijke titels, wapens, livreien en de benamingen 'monseigneur', 'messire', 'altesse' en 'excellence' afgeschaft.

Tot in 1803 was de enige wettelijke titel die van citoyen. Speciaal voor zichzelf en zijn familie creëerde Napoleon nieuwe adel. Zijn gunstelingen profiteerden mee. Onder Lodewijk XVIII werd de oude aristocratie in ere hersteld. De nieuwe revolutie van 1848 wilde definitief komaf maken met adellijke titulatuur, maar vier jaar later deed een nieuwe decreet het recht op titels herleven. Vanouds zijn er bijzonder hartelijke contacten tussen de Franse en de Belgische grootadel. In Oostenrijk is het voeren van een adellijke titel strafbaar. In Duitsland bestaat de adel niet meer als stand sinds 1918. Alle voorrechten werden opgeheven. De bestaande adellijke titels zijn nog slechts een onderdeel van de burgerlijke naam. Nieuwe titels mogen niet worden verleend. In 1920, na de val van de Hohenzollern, werden de eeuwenoude adellijke aanspreektitels 'Hoheit', 'Durchlaucht', 'Erlaucht', 'Hochgeboren', en 'Hochwohlgeboren' afgeschaft.


Graaf Jan Hoet
Toch handhaaft de Gotha een strikte etiquette in de sociale contacten. Een 'von' in de naam is voor de buitenwereld nog altijd een waarmerk van klasse. De stand der edelen maakt zelf een duidelijk onderscheid tussen de hoge adel (de vorstenstand), de middelbare en de lage adel 'Ritterschaft'. Geheel afgeschaft is de adel in Noorwegen, in Portugal en in de landen van het vroegere Oostblok. Maar na een lange winterslaap van vele decennia is de doodgewaande aristocratie achter het gevallen Ijzeren Gordijn weer wakkergeschoten. Berooide Boheemse, Poolse en Hongaarse edellieden dienen schadeclaims in voor de door de communisten in beslag genomen bezittingen.

Het heimwee naar de grandeur van weleer is groot. Twaalf jaar geleden vond in Moskou het eerste Panrussische Congres van de Aristocratie plaats, geispireerd op de vroegere bijeenkomsten van de grootadel onder de tsaar. In enkele jaren tijd is de Dworjaznskoje Sobranie, de aristocratische elite van Moskou aangegroeid van zestig tot drieduizend leden. Er is een lange wachtlijst van aspirant-edellieden die hun stamboom door de heraldische raad willen laten onderzoeken. De adel heeft weer een officieel adres in de Arbat wijk: het stadspaleis van de vroegere grootvorst Wjasemski, waar tot 1917 de familie Dolgoruki woonde. Van de Oeral tot de Donau worden net als onder de Habsburgers en de Romanovs opnieuw exclusieve soirees voor de Gotha georganiseerd. Het grote bal van de adel dat eind oktober in Sint-Petersburg plaats vond was zo select dat niemand van de pers er toegang kreeg.

Overal ter wereld hebben burgerlui een opmerkelijke fascinatie voor alles wat met adel en titels te maken heeft, vaak vanuit het idee dat zo'n titel in deze tijd nog vele deuren opent die anders gesloten zouden blijven. De handel in adelbrieven beleeft sinds enkele jaren een ware hausse. De Engelse aristocratie houdt uitverkoop in authentieke titels, maar sommige Belgische of Duitse middenstanders vinden die te duur en kopen liever een nobele stamboom in Italië of San Marino, ook al zijn die 'heerlijke rechten' meestal waardeloze vodjes papier. De republiek San Marino is een paradijs voor snobs die jagen op een titel. In dit operettestaatje zijn tegen astronomische bedragen de meest uiteenlopende onderscheidingen, decoraties en adellijke titels te koop, tot en met de titel van hertog.

Helaas worden deze titels uitsluitend in en door San Marino erkend. Maar zo'n duur betaald ornament verleent ter plaatse wel bepaalde voorrechten. Een drager van de Orde van San Marino wordt bijvoorbeeld onthaald op een militair eresaluut van de paleiswacht. Er is wereldwijd een parallel circuit dat burgers tegen klinkende munt voorziet van even klinkende maar niet officieel erkende titels. Zo heeft België door de bemiddeling van een gewezen diplomatiek correspondent via de Italiaanse ex-koning Umberto een aantal nieuwe Italiaanse baronnen, graven en markiezen, bijgekregen. Onder hen een Brusselse bakker, disco-eigenaars uit het Pajottenland en een Henegouwse vleesfabrikant.

De Britse Lord Robert Smith grossiert in officiële adellijke titels sinds hij bij de dood van zijn oudoom zeven adelbrieven erfde. Zijn firma heeft ondertussen permanent een dozijn titels-van simpele knight tot baronet of duke-in de aanbieding. Er zijn in het Gemenebest zo'n vijftienduizend adellijke titels. Koningin Elizabeth II heeft er vijfhonderd. De Kerk bezit er ongeveer duizend, de graaf van Debonshire en die van Northumberland elk een honderdtal. Veel van deze minder ronkende titels komen op de markt omdat de erfgenamen meer interesse hebben voor geld dan voor hun blazoen. Lord Smith heeft vooral succes in de Verenigde Staten. Hoewel er ettelijke miljoenen moeten worden neergeteld voor zo'n adelbrief, hebben de bewijzen van adeldom niet meer waarde dan het papier waarop het recht beschreven is. De nieuwbakken lords kunnen met hun titel niet veel meer doen dan hem gebruiken en ermee pronken.

Om de wildgroei enigzins in goede banen te leiden, voert Lord Smith als voorzitter van de Domesday Society (een vriendenkring voor edellieden) strenge selecties door bij het toelaten van nieuwe leden. 'Een hertog die voortdurend in zijn neus zit te peuteren of een baron die boert aan tafel, kunnen we niet hebben'.





terug naar boven